Gratie Gods 4

Mijn Leidse collega's Philipse en Sundholm hebben in hun stuk over `De gratie Gods' erg veel woorden nodig om te betogen wat de Amsterdamse hoogleraar Struycken op 4 mei 1909 in heel weinig zei: Het koningschap hoefde volgens hem niet van een hogere of goddelijke orde te zijn om positief te worden gewaardeerd. Evenmin wenste hij aan het koninschap enige andere macht of mystieke invloed toe te kennen die het niet bezat: `Menselijk recht bepaalt koninklijk gezag'. (Ons koningschap). En wat bedoelen Philipse en Sundholm met hun opmerking dat voor de traditionele Oranjetheologie de gedachte dat een Oranje ook moslims als onderdanen zou hebben anathema is? In 1940 bestond de bevolking van het Koninkrijk der Nederlanden, dat toen ook Nederlands-Indië omvatte, voor circa 75 procent uit Nederlandse onderdanen die moslim waren.

Struycken was overigens een overtuigd Orangist. Juist omdat het erfelijk koninschap per definitie niet met enige politieke partij kon worden vereenzelvigd en aldus het beste de eenheid van de natie tot uitdrukking bracht. Daardoor kon het volgens Struycken ook `het geweten der partijregering' zijn.

    • Prof.Mr. Cees Fasseur