Frictie of non-frictie, daar gaat het om

Of iets `waar gebeurd' is of aan de fantasie van de schrijver ontsproten, is ongeschikt als indelings- of beoordelingscriterium. Daarom weg met fictie en non-fictie, vindt Frank Westerman.

De grenzen tussen journalistiek, geschiedschrijving en literatuur vervagen. Steeds meer boeken passen niet in de traditionele hokjes. Werken die bij boekhandel Scheltema aan het hoofdstedelijke Koningsplein in de kast Literatuur staan, kun je om de hoek bij Athenaeum terugvinden op de afdeling Geschiedenis. En vice versa.

Het meest gangbare indelingscriterium heeft zijn langste tijd gehad: het muurtje tussen fictie (zoals romans en verhalen) en non-fictie (zoals studies en reisverslagen) brokkelt af. En dat is maar goed ook. Als onderscheidingskenmerk is het namelijk oninteressant en op den duur onhoudbaar.

Om te beginnen duiken er steeds meer grensgevallen op. Een recente hybride is het proefschrift `Een pruik van paardenhaar' van de wetenschapper Marjolijn Drenth, die daarbij de hulp heeft ingeroepen – als co-auteur – van de romancier M. Februari, nota bene haar eigen pseudoniem. Ander voorbeeld is de vorig jaar verschenen biografie van Ronald Reagan. Daar komt een verzonnen personage in voor: de verteller (die niet samenvalt met de auteur, Edmund Morris). Is het daarom een slechte of mindere inzichtelijke biografie?

Dezelfde vraag gaat op voor sommige klassiekers. De zes-delige memoires van de Russische schrijver Konstantin Paustovksi zijn doorspekt met fictieve details. Toch bieden deze `herinneringen' rakere en diepere inzichten in de Russische revolutiejaren dan een hele plank historische studies.

Ook op een totaal ander vlak gaat het onderscheid fictie/non-fictie op de helling. Ons collectieve begrip van wat waan is en wat werkelijkheid, is in beweging. De New Economy bestaat omdat beleggers er in geloven. Maar zijn de miljarden van World Online eigenlijk wel echt?

En dan nog dit: hoe vaak pakt de `werkelijkheid' niet fantastischer uit dan de verbeelding? Als journalist in Rusland beland ik geregeld in een situatie waarvan ik denk: ,,Maak ik dit echt mee of droom ik dit? Anders gezegd: Is dit fictie of non-fictie?''

Of iets `waar gebeurd' is, of aan de fantasie van de schrijver ontsproten, is zeker relevant. Maar als indelings- of beoordelingscriterium is het nietszeggende informatie. Non-fictie-boeken zijn niet beter in staat tot het benaderen van de werkelijkheid dan fictie – al ligt die suggestie impliciet in die termen besloten.

Ook is een academische benadering, ondanks het aureool van degelijkheid en exactheid, niet per se de nauwkeurigste. Ik heb ooit gekozen voor journalistiek omdat ik met wetenschappelijke teksten niet uit de voeten kon. Op de universiteit werd de lijdende vorm aangeprezen als de meest geschikte. In `papers' – alleen het woord al – moest je zo vaak mogelijk het woordje `men' bezigen, steevast op zoek gaan naar het algemene, niet naar het specifieke. Dodelijk. Voor zowel de leesbaarheid als het betrappen van de weerbarstige werkelijkheid.

Maar de journalistiek kent haar eigen feilen. Er ligt een ingebakken tekortkoming op de loer, een kwalijke neiging tot conservatisme: gezien de haast en het kudde-instinct voegt de journalistiek zich te snel en te gemakkelijk naar het bestaande idee.

Hoe het wel moet weet ik niet. Wel kan ik aangeven wat ik in mijn boek `De Graanrepubliek' getracht heb te doen. In die vertelling – over drie Groninger geslachten die de afgelopen eeuw elk op hun eigen manier de maakbaarheid van het platteland hebben nagejaagd – heb ik bewust gestreefd naar subjectiviteit, niet naar objectiviteit. En dan heb ik het niet alleen over wisselende vertelperspectieven. Die verschillende camerastandpunten zijn onmisbaar, maar omdat het de auteur is die ze kiest, die uiteindelijk het kaf van het koren scheidt, is hij het meest subjectieve element. In dat besef heb ik `de verteller' nadrukkelijk als een van de dramatis personae in het boek geïntroduceerd. Zo'n `historische reportage' – een van de labels die De Graanrepubliek opgeplakt kreeg – laat je niet onverschillig. Al schrijvend kom je tot inzichten en ontdekkingen, en ook daarvan doe ik verslag. Ik ben behept met eigen interesses en voorkeuren, en die wil ik niet verhullen. Integendeel, ik wil de lezer deelgenoot maken van mijn spoorzoeken door het historisch materiaal. In de Verantwoording staat het zo: ,,Niets is verzonnen, maar alles is gekleurd: het is een selectie van wat mij heeft geboeid, verbaasd of ontroerd. Mijn trofeeën heb ik zo gerangschikt dat ik er – als een museumdirecteur met zijn tentoonstelling – een eigen verhaal mee vertel.''

Het is mij om dat persoonlijke, subjectieve te doen. Feiten, data, jaartallen, bits en bytes – dat zijn de bouwstenen. Ik ben het niet eens met een schrijver als Jerzy Kosinski, die eens beweerde: ,,Ik ben geïnteresseerd in de waarheid, niet in de feiten.'' Juist de naakte feiten, de waterstanden en de beursnoteringen zijn voor mij heilig. Die intrigeren me. Maar niet allemaal! Niet alles is interessant, niet alles doet er toe. Wie volledig probeert te zijn produceert louter kosmische achtergrondruis. Hij wurgt zijn tekst in een web van bijzinnen en voetnoten. Schrijven komt aan op weglaten; het is schiften en zeven.

Is de geschiedenis dan een mecanodoos waarmee je even makkelijk een hijskraan als bulldozer kan bouwen? Nee. Natuurlijk lenen historische gegevens zich voor uiteenlopende reconstructies. Ook staat het iedereen vrij de verbanden te leggen die hij wil. Maar niet al die versies van hoe het was zijn even geloofwaardig, en er zullen slechts enkele de tand des tijds kunnen doorstaan.

Waar het op aankomt is de kwaliteit van het cement, en dat is de duiding, het blootleggen van de grote lijnen, het vertellen van het verhaal. Betogen en beschrijven vloeien dan ineen, en het bouwsel heeft alleen waarde als het overtuigt. Daarbij is het `hoe' vaak belangrijker dan het `wat'. Konstantin Paoestovski formuleerde het zo: ,,Veel mensen gaan ervan uit dat schrijven hetzelfde is als verzinsels bedenken. Ze beroepen zich op hun buitengewone waarheidsliefde, en hebben er geen flauw benul van dat een literair weergegeven feit, met weglating van overbodige details en met toespitsing op een aantal essentiële, een met het zwakke schijnsel van de verbeelding beschenen feit honderdmaal duidelijker de essentie der dingen onthult dan een waarheidsgetrouw en tot in alle kleinigheden exact verslag dat doet.''

Uit de manier van kijken (of: de kunst van het waarnemen) kun je vaak meer gewaarworden dan uit een droge registratie van het waargenomene. Wat Dichtung is en wat Wahrheit moet wel expliciet worden gemaakt, maar is niet de kern. Of iets fictie is, dan wel non-fictie, is van ondergeschikt belang. V.S. Naipaul heeft ooit gezegd: ,,Fiction is a version of reality, like non-fiction.''

Het indelen van boeken in fictie en non-fictie (en `faction' voor mengvormen), is saai en belegen. Ik pleit er dan ook voor het te vervangen door een andere toets, eentje waarmee je zowel journalistiek, geschiedschrijving als literatuur in twee categorieën kunt onderverdelen. Het te hanteren criterium laat zich vangen in het woord `frictie'. Daarmee bedoel ik heel plastisch: wrikt een tekst iets los? Verrast, ontroert, onthutst hij? Levert hij onverwachte inzichten op? Een andere kijk op de zaak?

Er zijn werken die beschrijven wat we al wisten, aanvoelden of konden vermoeden. Boeken die geen ander gevoel losmaken dan herkenning. Non-frictie. Er zijn er ook die ontwrichten, prikkelen, shockeren of heel subtiel je wereldbeeld een graadje uit het lood zetten. Frictie.

Ik zie de toptiens en de boekenbijlagen-nieuwe-stijl al voor me. Op de linkerpagina de besproken non-frictie, rechts de frictie, met elk hun eigen kolom bestsellers en hun eigen rubriekje `ramsj' of `pas verschenen'. Het wordt hoog tijd die indeling overzichtelijk te presenteren.

Frank Westerman is redacteur van NRC Handelsblad. Hij sprak deze tekst gistermiddag uit bij de uitreiking van de dr.L. de Jong-prijs voor eigentijdse geschiedenis.

    • Frank Westerman