School en salaris

DE VAKBONDEN van onderwijzers en leraren gaan weer actie voeren tegen de rijksoverheid. Ze hopen zo hun looneisen kracht bij te zetten. Over anderhalve week moet dit gaan gebeuren. Dan pas? Ja, dan beginnen namelijk de landelijke eindexamens in het voortgezet onderwijs. Geen betere breekijzers om minister Hermans van Onderwijs op de knieën te dwingen dan de bloednerveuze eindexamenkandidaten en hun navenant zenuwachtige ouders. Aanvankelijk overwoog de Algemene Onderwijsbond (AOb), de grootste en machtigste van Nederland, met hen geen mededogen te hebben. Na ampel beraad is vorige week echter besloten dat het centraal schriftelijk niet onder de acties mag lijden en dat er voldoende surveillanten in de gymlokalen moeten achterblijven.

Als belangenorganisatie heeft de AOb het recht haar leden meer te bieden dan kortingen op verzekeringen of vakantiehuisjes. Onderhandelen over een collectieve arbeidsovereenkomst is ook een taak van een vakbond. Bovendien hebben de belangenbehartigers het tij mee. Algemeen wordt erkend dat onderwijzers en leraren de afgelopen decennia in financiële zin onvoldoende zijn gewaardeerd en dat dit misverstand zich nu begint te wreken in het aanbod van nieuwe docenten. Het tekort aan leraren en de structurele lesuitval zijn een pijnlijke illustratie van deze verwaarlozing.

De nieuwe CAO, waarover minister Hermans en de bonden tot nu toe tevergeefs onderhandelen, is derhalve een goed handvat om duidelijk te maken dat men over de hele linie tot inkeer begint te komen. Dat de vakorganisaties daarbij een sterkere positie hebben dan de overheid is logisch. Dankzij de hoogconjunctuur kunnen zij de eisen stellen zonder als eersten over de brug te hoeven komen.

HET ONDERWIJS IS echter niet louter een markt die door vraag en aanbod wordt geregeerd. De school staat voor meer. Ze is een instelling waar de productiviteit zich niet tot decimalen achter de komma laat berekenen. Staken om 3,25 of 4,0 procent salarisverhoging, respectievelijk 0,6 of 1,0 procent extra uitkering, doet aan dit gegeven onvoldoende recht.

De dreigende crisis in het onderwijs wordt immers niet alleen veroorzaakt door budgettaire schaarste. Demografische trends dragen ook bij. Op de scholen lopen veel leraren uit de naoorlogse geboortegolf rond en weinig jongeren van na de pil. Dat doet enigszins denken aan de toestand eind jaren vijftig, toen het middelbaar onderwijs ook de noodklok luidde wegens gebrek aan leraren. Juist daarom is het van belang minder nadruk te leggen op generieke loonsverhogingen en meer op aanvangssalarissen, secundaire arbeidsvoorwaarden, investeringen in gebouwen alsmede apparatuur en klassenassistenten of andere junioren die voor het onderwijs gewonnen moeten worden. De oudere docenten zij een mooie loonsverhoging gegund. Maar over tien jaar bieden senioren toch echt onvoldoende soelaas.

DE VAKBONDEN wekken niettemin de indruk vooral oog te hebben voor het eigen ledenbestand dat wordt gedomineerd door pre-vutters. Ze zouden er goed aan doen enigszins buiten zichzelf te treden. De kinderen hebben recht op onderwijs, ook al zien ze dat zelf vaak anders. Staken lijkt dapper maar is dat niet. Met hun actiedrift bewijzen de bonden, de AOb voorop, vooral dat ze zelf deel zijn van het probleem dat onderwijs heet.