Opties kost Ahold 55 mln

De optieregeling van Ahold voor 820 (top-) managers heeft de aandeelhouders van het supermarktconcern vorig jaar 55 miljoen gulden gekost. Die kosten kunnen de komende jaren verder oplopen. Dit cijfer, dat Ahold niet vermeldt in zijn Nederlandse jaarverslag, blijkt uit het prospectus van het concern voor de uitgifte van nieuwe aandelen en een lening die in aandelen kan worden omgezet. Die emissie moet ongeveer 6,6 miljard gulden opleveren en sluit maandag 15 mei.

Het bedrag van 55 miljoen gulden is iets meer dan 3 procent van de nettowinst die beschikbaar is voor de houders van gewone aandelen van 740 miljoen euro (ruim 1,6 miljard gulden). Bij een optieregeling krijgen managers en/of medewerkers kooprechten op aandelen van hun onderneming. Dat moet hen prikkelen tot betere prestaties en een relatie leggen tussen hun werk en de belangen van aandeelhouders.

In het prospectus voor de emissie becijfert Ahold, in Nederland eigenaar van Albert Heijn, de kosten van de optieregeling op basis van de boekhoudkundige regels die in de Verenigde Staten zijn voorgeschreven. Deze voorschriften beschouwen optieregelingen als kosten die, net als salarissen, ten laste van de inkomsten moeten worden gebracht. De hoogte van kosten is gebaseerd op de waarde die de opties tijdens de samenstelling van het prospectus vertegenwoordigen.

In Nederland zijn er geen regels voor de kosten van optieregelingen en hoeven bedrijven ook geen bedragen in hun jaarverslagen op te nemen. Slechts enkele bedrijven, zoals Philips, ASM Litography en Buhrmann, geven in hun toelichting op de winst wel deze informatie.

De optieregeling kostte, op basis van de Amerikaanse boekhoudkundige regels, de beleggers vorig jaar vier eurocent per gewoon aandeel, zo blijkt uit het prospectus van Ahold. De winst per gewoon aandeel na aftrek van dividend op preferente aandelen zou zijn uitgekomen op 1,11 euro in plaats van 1,15 euro. In 1998 kostte de optieregeling aandeelhouders volgens deze becijferingen 22 miljoen gulden, in 1997 iets meer dan 2 miljoen gulden.

Professionele beleggers willen meer inzicht krijgen in de kosten van optieregelingen van (top-)managers en personeelsleden van grote concerns. De kosten van deze regelingen worden in Nederland meestal zo goed als onzichtbaar afgeboekt van de financiële reserves van ondernemingen. Of de kosten worden op een eveneens ondoorzichtige manier afgewenteld op de aandeelhouders doordat bedrijven nieuwe aandelen uitgeven als managers en medewerkers hun opties omzetten in aandelen.

Twee weken geleden werd duidelijk dat Aegon en ING, die beide omvangrijke optieregelingen hebben voor hun medewerkers, een kostenpost hebben voor hun optieregelingen van respectievelijk 900 miljoen en 200 miljoen gulden. De kosten ontstaan doordat de concerns de kooprechten op oude opties die worden uitgeoefend, afdekken door tegen inmiddels gestegen koersen hun eigen aandelen op de effectenbeurs in te kopen.

    • Menno Tamminga