De zinloosheid verdragen

De schrijver Varlam Sjalamov bracht vijfentwintig jaar door in Kolyma in Siberië, waarvan zeventien jaar als dwangarbeider. Hij werkte er in de mijnen maar ook als waterkoker, dennennaaldenverzamelaar, houthakker, zager. Vooral overleefde hij er, voor zover dat overleven heet. Hij beschreef in bijna koele verhalen wat er met een mens gebeurt die wordt blootgesteld aan die omstandigheden – de kou, de honger, het zware werk, het wrede regiem, de vernederingen, het gezelschap van criminelen, de willekeur van de straf. De meeste gevoelens sterven af, schrijft hij, het hardnekkigst zijn de bitterheid en de wrok. ,,Het gevoel van wrok was het laatste gevoel dat de mens begeleidde als hij naar het niets, naar de wereld van de dood trok.'' Hoe illusieloos Sjalamov ook over de mens is, toch is er bij hem uiteindelijk meer overgebleven dan blinde wrok. Op het dieptepunt niet, hij was ook in Siberië toen het regiem er extra wreed was, in 1936 en '37. In die tijd is hij bijna gestorven. En zijn gevoelens waren al dood. Maar die kwamen weer tot leven, in onverwachte volgordes. Eerst kwam de angst terug en toen de jaloezie. Al vrij snel verscheen ook weer een oog voor de omgeving, voor het landschap en de dieren, voor wie hij makkelijker gevoel kon opbrengen dan voor mensen. Hij vindt dieren waardiger: als de omstandigheden echt onleefbaar zijn gaan ze dood. Mensen niet. Die degenereren.

Een van zijn aangrijpendste verhalen gaat over de Siberische dwergden, de stlanik. Eigenlijk is het nauwelijks een verhaal, het is een beschrijving van het gedrag van deze kleine poolden. Die ligt de hele winter plat tegen de aarde, bedekt door sneeuw. Op een dag komt hij overeind, schudt de sneeuw van zich af en ,,na een dag of twee draaide de wind, en voerden warme luchtstromen de lente aan''. In het najaar was de den ook een goede graadmeter voor de ernst van dreigende sneeuwwolken. Als hij ging liggen wisten de gevangenen dat het nu winter werd. Slechts een enkele keer vergiste hij zich. Als er een vuurtje gestookt werd dat een paar uur brandend gehouden werd. ,,Na zo'n twee, drie uur stak de stlanik zijn takken vanonder de sneeuw uit en ging, denkend dat het lente was geworden, stilletjes rechtop staan. Het vuur was nog niet uit of de dwergden ging alweer in de sneeuw liggen.''

Ik weet niet precies waarom juist dat verhaal temidden van de vele, soms hartbrekende en huiveringwekkende verhalen van Sjalamov (ze zijn te vinden in Raster 88 en binnenkort in een boek dat bij de Bezige Bij zal verschijnen, een eerdere keuze uit de verhalen is verramsjd maar nog wel bij De Slegte te krijgen) – waarom juist dat verhaal over die dwergden om nooit meer te vergeten is. Misschien omdat je aan alles voelt dat het veel betekent, zoals de natuurgedichten van Chr.J. van Geel, zonder dat de schrijver of de dichter moeite doet om te zeggen wàt. Het bestaat, het is betekenisvol, zie het. Meer niet.

In Trouw is op het ogenblik een serietje aan de gang waarin intellectuelen gevraagd worden om hun herinneringen aan (de boeken van) Sartre op te halen. Wie net weer Sjalamov gelezen heeft verdraagt het gesprek over Sartre's invloed en betekenis maar moeilijk. Want Sartre en de zijnen, dat waren de mensen die het bestaan van de Sovjetkampen ontkenden of bagatelliseerden. Degenen die juist nooit Sjalamov zouden willen lezen, die al een mening hadden over `dat soort mensen'. Voor hen was hij een soort, net als de vele anderen die naar de kampen gedeporteerd werden en van wie nooit meer iets vernomen is. De bijziendheid van de ideologisch verblinden.

Rond 4 mei, als er herdacht wordt en gedacht wordt over vrede en oorlog, over misdaden en slachtoffers, weet je altijd wel zeker dat er heel veel mensen niet herdacht worden. Dat we, in zekere zin, zij het niet per se uit ideologische motieven, allemaal een soort Sartre's zijn.

Het maakt het stilstaan bij de doden wel een beetje moeizaam. Er is geen hoop op verbetering. Je kunt je gelukkig prijzen als je in een deel van de wereld woont waar het tamelijk rustig is en hopen dat het zo blijft. Gastvrij zijn tegenover degenen die, ontsnapt aan het soort toestanden dat wij op 4 mei herdenken, hier veiligheid komen zoeken. Maar de goedheid van de mens, ach. Die is er wel, maar het is maar zo'n klein en machteloos goedheidje.

Juist in de tijd van Sartre, en zijn veel minder verblinde concurrent Camus, wilden velen gaan inzien dat er geen troost was voor de zinloosheid of de `absurditeit' van het bestaan. Geen God, geen hiernamaals waarin alle tranen zouden worden afgewist, niets. Om dat onder ogen te zien en te merken dat er dan toch te leven viel, dat was de opgave.

Nu is die houding gemeengoed geworden en degenen die nog wel geloven hebben ook geen kant en klare troost meer te bieden. Die worstelen net als de anderen met de agressie, de onverschilligheid, de wreedheid, de lust tot pijnigen en vernietigen die blijkbaar bij de mensen hoort.

Er is wel troost, of hulp bij het verdragen. Maar geen geruststelling. Al die verhalen die we elkaar vertellen, al die vorm die we aan de wereld en aan onze ervaringen geven, dat helpt bij het leven en het onder ogen zien. Dat Sjalamov, juist hij, degene over wie Solzjenitsyn zei: ,,ik erken met het grootste respect dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar alles in het kampleven ons naartoe trok'', verhalen schreef, verhalen die getuigenis afleggen, die iets onder woorden proberen te brengen dat zich in woorden niet laat vangen, verhalen die het gedrag van een Siberische dwergden beschrijven, dat is troost, op de eigenaardige, weerstrevende manier waarop troost tegenwoordig aangeboden wordt. Het zegt iets over het vermogen van (sommige) mensen om zelfs van het meest negatieve dat er bestaat – en volgens Sjalamov is de kampervaring uitsluitend negatief – toch nog iets te maken.

De grote Joegoslavische schrijver Danilo Kiš heeft eens heel nauwkeurig beschreven, alsof hij het van boven af zag, als God zelf, hoe zijn joodse vader in de rij stond met andere gevangen om ingeschreven te worden, om zijn dood tegemoet te gaan. Hij schreef dat men dit zou moeten kunnen opnemen `met een camera die niet trilt'. Ik kan dat eerlijk gezegd nauwelijks zelfs maar overtikken. En toch helpt het feit dat hij het schreef, en het zó schreef, om de zinloosheid te verdragen.