Weidelijk stropen

,,Morgen eten we fazant'', zei vader. Uit een jutezak trok hij twee dode fazantenhanen en legde deze op het aanrecht. Net voor het Hooge Hexel had hij een doffe klap gehoord ter hoogte van de rechter voorbumper. Hij was gestopt en terug gelopen, en ja hoor daar lag hij in de berm. Even verderop lag er nog een. Kennelijk door iemand anders aangereden, ook nog warm. Ze werden geplukt en geslacht en onder een theedoek in de kelder gezet om de andere dag gebraden te worden. De staartveren gingen in de vaas bij de pauweveren die zo mooi afstaken tegen de gedrapeerde doek aan de schoorsteen. Het was een vorm van stropen maar dan per ongeluk. Je ging niet uitzoeken van wie dat bos was waar de vogels uit kwamen vliegen en laten liggen was natuurlijk zonde.

Jaren later werkte ik een zomervakantie in een hotel op De Lemelerberg. Af en toe werd er 's avonds een ree bezorgd die in de afwaskeuken werd opgehangen, gevild en in mootjes gesneden. Enkele dagen later werd er reerug geserveerd aan een select gezelschap uit de buurt. Het jaar daarop werkte ik in een hotel aan de rand van Harderwijk. De eigenaar ging regelmatig, als het donker was, met zijn snelle sportwagen even wat bospaadjes op en kwam dan terug met een tas vol wilde konijnen die daarna op de menukaart belandden.

Tegenwoordig worden de reeën vanuit terreinwagens die voorzien zijn van krachtige schijnwerpers met telescoopgeweren neergelegd. Ze leveren zo'n honderd gulden per stuk op en een buit van tien stuks op een avond of nacht schijnt geen uitzondering te zijn. Stropen is criminele business geworden terwijl de politie geen mensen en middelen heeft om hier adequaat tegen op te treden.

Hoe anders was dat in de tijd dat Berend Stegeman, 91 jaar oud en woonachtig in Losser, 's nachts het veld in trok om een haas of een fazant te schieten. Hij stroopte zo'n vijfentwintig jaar lang in de grensstreek tussen Losser en Oldenzaal. Meestal waren ze met z'n tweeën. Je moest oppassen voor jachtopzieners en veldwachters, zowel aan deze kant van de grens als wanneer je de `Pruus' inging. Bovendien kreeg je dan ook nog eens te maken met de commiezen van de douane en met hun collega's aan de Duitse kant. Hij vertelde mij dat ze veel strikken zetten en daarnaast met een lichtbak werkten. Zo'n lichtbak was uitgerust met een carbidlamp en met behulp van wit karton werd het licht gebundeld en versterkt. Met een kraantje kon de watertoevoer worden afgesteld en op die manier de hoeveelheid brandbaar gas en dus de lichtsterkte. Met een goed licht kon je wel 150 m ver schijnen. Het wild dat in zo'n lichtbundel gevangen wordt blijft roerloos staan en is een makkelijke prooi. Op een nacht was hij een keer zelf `in het licht gezet' door Duitse jachtopzieners. Met zijn stroopmaat was hij een flink stuk over de grens bezig en had al drie hazen geschoten. Na een schot hagel te hebben gelost hadden ze zich laten vallen en waren weggekropen. Aan scheurende geluiden hoorde hij dat zijn vriend vast zat in het prikkeldraad. Zelf had hij zijn geweer en de hazen verstopt in een greppel en op een boom daar in de buurt een merkteken gemaakt om de dag daarna zijn spullen terug te kunnen vinden. Onopgemerkt was hij de grens weer overgestoken. De volgende dag bleek dat zijn maat inderdaad een stuk van zijn jas kwijt was maar het ook had gered. De jas werd onmiddellijk verbrand.

Mensen als Berend stroopten niet om snel veel geld te verdienen maar om hun bestaan op een enigszins acceptabel niveau te brengen. In de crisistijd was er vaak geen werk en daarna kwam de oorlog. Hij had een gezin met elf kinderen en wanneer je al werkte en vijftien gulden in de week verdiende, was drie gulden vijftig voor een haas een hoop geld. Vaak kon hij zich niet eens strikken van koperdraad permitteren. Hij was een hartstochtelijk stroper maar desondanks hield hij zich strikt aan het jachtseizoen. Van januari tot half oktober werd het geweer opgeborgen.

Hij is in al die jaren nooit gepakt, maar hij had dan ook de juiste eigenschappen voor een goede stroper: voor niets en niemand bang zijn maar wel héél voorzichtig.

    • Gerrit Kolthof