WAARHEID 2

Laat prof. dr. Vincent Icke over het begrip `waarheid' in de natuurkunde schrijven en hij verandert in een fundamentalistische dominee die geen tegenspraak duldt en andersdenkenden steevast uitmaakt voor halve dan wel hele zolen. Hij raakt dan zo verhit dat hij vergeet dat waarheid met betrekking tot subatomaire en schijnbaar `mens-onafhankelijke essenties', zoals een elektron of een quark, op een veel minder directe manier wordt vastgesteld dan `dat het regent'. Dat het regent kun je direct zien en voelen, elektronen kun je niet zien, terwijl je er evenmin nat van wordt. Het bestaan ervan wordt op theoretische gronden aangenomen en dat geeft ruimte voor twijfel: er zijn misschien ook andere verklaringen denkbaar, met andere theorieën over hoe de werkelijkheid in elkaar zit.

Icke roert het onderscheid tussen directe en indirecte waarneembaarheid niet eens aan. Integendeel: hij suggereert dat het ten aanzien van elektronen om dezelfde feitelijkheden gaat als de werking van, pak weg, bouwkranen of hartkleppen. Wie wél onderscheid tussen het een en het ander wenst te maken, verwijst hij naar de astrologiepagina's van pulpbladen. Dat elektronen echter niet hóeven te bestaan, kan verduidelijkt worden met een voorbeeld uit de geluidsleer. We kunnen een geluid, bijvoorbeeld een viooltoon (via een Fourier-analyse) opdelen of opsplitsen in afzonderlijke sinussen, elk met een eigen frequentie en amplitude-envelop. Doen we vervolgens het omgekeerde - we tellen de sinussen weer bij elkaar op, dan horen we weer die viooltoon. De hypothese dat een geluid bestaat uit de som van een reeks afzonderlijke sinussen is hiermee bevestigd. Maar we hebben daarmee níet vastgesteld dat geluiden zoals we die horen ook wèrkelijk, dus intrinsiek, uit bij elkaar opgetelde sinussen bestaan. Misschien doet de natuur helemaal niet aan sinussen bij elkaar optellen (en ons brein dat de drukgolven tot geluid `maakt', ook niet). Dus weten we nog steeds niet hoe de 'werkelijkheid' van het geluid in elkaar steekt, al voldoet de hypothese erover prima. Hetzelfde kan worden gezegd over theorieën waarin elektronen een rol spelen. De theorie voldoet, maar zonder dat we weten of hij correspondeert met de werkelijkheid zoals die ìs; dat wil zeggen: de werkelijkheid voorbij de menselijke waarneming.

Voor Icke is deze waarheid als een koe, kennelijk onwelkom. In die zin gedraagt hij zich als de gelovige die woedend wordt als je het bestaan van God betwijfelt. Hoe krachtiger de tegenargumenten, hoe groter de woede. In de psychologie wordt dit verschijnsel trouwens `cognitieve dissonantie' genoemd: het vermijden, gladstrijken dan wel `wegredeneren' van onwelgevallige of met de overtuiging dissonerende informatie.

    • Harm Visser Amsterdam