Waar fotografen de baas zijn

,,Redacties denken dat ze fotografen begrijpen, maar dat is niet zo'', zegt fotograaf Burt Glinn in de documentaire Magnum, een Evolutie van een Fotografie. Het was vanwege dat onbegrip, maar ook en vooral om de eigen auteursrechten in handen te krijgen dat vier fotografen in 1947 Magnum oprichtten. Dat dit fotoagentschap ruim vijftig jaar later nog zó zou bruisen als de fles champagne waarnaar zij zichzelf noemden, kunnen David Seymour, George Rodger, Robert Capa en Henri Cartier-Bresson, onmogelijk hebben voorzien. Dat deelzijn van die grote Magnumfamilie de droom zou worden van vele collega's, evenmin.

Een aantal van de fotografen voor wie die droom uitkwam wordt in de documentaire gevolgd. Larry Towell fotografeert al jaren een kleine Mennonietengemeenschap in Ontario, niet in opdracht maar omdat hij gefascineerd is door het onderwerp. Zijn lidmaatschap van Magnum stelt hem in staat op deze manier te werken, niet achternagezeten door een opdrachtgever die steeds wil weten `of hij al iets heeft'. Als Towell vindt dat het af is, pas dan zal zijn serie via het netwerk van Magnum aan vele kranten en tijdschriften worden verkocht.

Aan het lidmaatschap van Magnum gaat een strenge selectieprocedure vooraf en soms doet iemands toelatingsverzoek de gemoederen hoog oplopen. De documentaire laat zien hoe dat de relatieve nieuwkomer Martin Parr overkwam. Diens soms hilarische kijk op het leven van alledag, vertaald in glanzende kleurenfoto's, ging een aantal oude rotten in de fotojournalistiek te ver. Op de jaarlijkse Magnum familiedag, nog altijd onder de bezielende leiding van Henri Cartier-Bresson (1908), de `Zeus op de berg', buigen de leden zich over de portfolio's van aspiranten. Na stemming, in de documentaire keurig voorzien van `piepjes' om de geheimhouding te bewaren, wordt het verlossende woord gesproken en de fotograaf al of niet tot de rangen toegelaten. Mede dankzij de actieve steun van Donovan Wylie, de benjamin van Magnum, werd Parr toch geaccepteerd. En zo zien we hem door het Engelse Bath lopen, op zoek naar de haast gewoon geworden vulgariteit van te veel sieraden aan te dikke en te gebruinde handen. En ook de in een etalage uitgestalde blauwpaarse taartjes ontsnappen niet aan zijn aandacht en vriendelijk en zeer voorkomend – `Is dit echt paars?' – slaat hij met zijn camera toe.

Het is de diversiteit aan beelden, ontstaan vanuit hetzelfde gevoel voor eerlijkheid, authenticiteit en het verlangen de wereld te tonen zoals hij is, die Magnum zo uniek maken. En dus zien we in de documentaire naast iconen uit de fotojournalistiek zoals Vietnam gezien door Philip Jones Griffiths en de honger in Afrika van Chris Steele-Perkins, ook de portretten die Eve Arnold van Marilyn Monroe maakte en de ontroerende serie van Donovan Wylie over het bijna verdwenen Belfast van zijn jeugd.

Bij Magnum zijn de fotografen de baas en ondanks de al jaren financieel weinig florissante situatie hoop je dat dat altijd zo zal blijven.

Magnum, Evolutie van een Fotografie, zaterdag, TV2, 0.43-2.07u.

    • Nicole Robbers