Vechten, vluchten of bevriezen

Volgende maand trekt Israel zich terug uit Zuid-Libanon. Zal daardoor wat veranderen aan de uitzichtloze situatie van de Palestijnen in Libanon? `Ook al is mijn zoon goed op school, piloot mag hij niet worden.'

Sommigen wordt het te veel in Burj al-Barajne. De leidster van de peuterspeelzaal van het Palestijnse vluchtelingenkamp bij Beiroet ontdekte vorige week forse blauwe plekken om de nek van twee zusjes. Hun vader had geprobeerd ze met een touw te wurgen, uit wanhoop over zijn en hun toekomst. Tachtig procent van de Palestijnen in Libanon leeft onder de armoedegrens, de helft is werkloos. ,,We merken het aan alle kinderen'', vertelt psychologe Olfat Mahmud, werkzaam bij de crèche. ,,Peuters van die leeftijd horen met elkaar te spelen, vol energie. Maar de meesten zitten angstig in een hoekje en durven niet naar anderen toe.'' Op de lagere school ernaast is het iedere dag vechten, zegt ze. ,,Jongens gaan om de kleinste aanleiding met elkaar op de vuist.''

Hoe vertel ik het mijn kinderen? Tegen deze vraag hikken alle Palestijnse ouders in Libanon aan, want er is zoveel uit te leggen. Over hun vlucht of verjaging uit wat nu Israel is in 1948 en 1967. Over de burgeroorlogen in Libanon waarbij ze betrokken raakten, als dader en slachtoffer. De Israëlische invasie in 1982 van Libanon die met veel bloedvergieten een einde maakte aan de PLO-aanwezigheid in het land. De `kampoorlogen' waarbij de Libanees-shi'itische militie Amal maandenlang de kampen belegerde om delen ervan te confisqueren voor eigen vluchtelingen uit Zuid-Libanon – de zittende vluchtelingen werden weggejaagd of gedood. En natuurlijk het bloedbad in 1982 bij de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. De Libanees-christelijke falangistenmilitie slachtte toen met assistentie van het Israëlische leger tweeduizend Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen af.

En de ellende is verre van voorbij: uiterlijk 7 juli trekt Israel zich terug uit de `veiligheidszone' in Zuid-Libanon die het sinds 1982 bezet houdt. Wat er dan gebeurt weet nog niemand, maar zeker is dat de Palestijnse vluchtelingen een hoge prijs zullen betalen als Libanon opnieuw in een slagveld verandert.

,,Mijn dochtertje had iets opgevangen dus heb ik haar apart genomen en verteld over het bloedbad'', vertelt huisvrouw Muntasir uit het vluchtelingenkamp Shatila in Beiroet. ,,Ze bleef maar vragen: `Hoe komt het dat je toen niet gek bent geworden mama?' En toen wilde ze weten waarom wij terug willen naar Israel. Ze is bang dat als we teruggaan, we net als in 1982 door de joden worden vermoord.''

Drie jaar geleden bedongen Palestijnse organisaties dat er een gedenkteken zou komen op het veldje aan de westrand van de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Op deze plek was het dat de falangisten tijdens het bloedbad in 1982 honderden lijken opstapelden en waarschijnlijk begroeven. Het vuilnis werd geruimd, boompjes werden geplant en er werd een monument neergezet. Maar toen intervenieerde de shi'itische militie Amal, met wie de Palestijnen al decennia op gespannen voet staan. Met stilzwijgende instemming van de Libanese regering werd het monument gesloopt. Nu vervuilt het onbebouwde veldje weer in hoog tempo.

Om het veldje hangen de Palestijnse jongeren uit het kamp. Ze zijn werkloos omdat ze slecht zijn opgeleid, de Libanese economie in het slop zit, en omdat ze ernstig worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Sommigen hebben op hun bovenarmen hakenkruizen getatoeëerd. Allen eisen het recht op terugkeer naar het land van hun grootouders – een land dat ze alleen kennen van foto's en verhalen. ,,Wat zou jij doen als iemand je huis afpakt?'' vragen ze retorisch. Maar als ze willen dat Israel ze terugneemt, zijn die tatoeages dan de methode? Ze halen de schouders op. ,,De strijd gaat door. De joden hebben ons land afgepakt.''

Offeren

Verjaagd, ontkend en geterroriseerd door de Israëli's, geradicaliseerd en dan verlaten door hun eigen leider Arafat, een pion in de handen van de meedogenloze Syriërs, en meer en meer fungerend als nieuwe gemeenschappelijke vijand van de Libanezen; het is geen wonder dat de vooraanstaande antropologe Rosemary Sayigh haar boek over de Palestijnen in Libanon als titel meegaf: Too Many Enemies.

Officieel staan nu zo'n 350.000 Palestijnen in Libanon geregistreerd als vluchteling, in werkelijkheid zijn het er waarschijnlijk 250.000. Ze wonen in twaalf kampen verspreid door Libanon, of in de steden. Waar ze ook zitten, ze worden met de nek aangekeken. Anders dan in Syrië en Jordanië hebben Palestijnen in Libanon nooit kunnen deelnemen aan het publieke leven doordat hen een verbod op de uitoefening van meer dan 70 beroepen werd opgelegd. Het multiculturele Libanon vreesde voor verstoring van de fragiele etnische balans door de in meerderheid sunnitische Palestijnen, en blokkeerde hun integratie zoveel mogelijk.

Veel Libanezen houden de Palestijnen verantwoordelijk voor de burgeroorlogen in hun land, en beschouwen ze als criminelen en een staat in een staat, een idee dat wordt gevoed doordat de kampen nooit zijn ontwapend en het Libanese leger zich er – althans officieel – niet waagt. ,,Het verzet tegen tawtin, permanente vestiging en naturalisatie van de Palestijnen hier, is algemeen'', zegt Farid Khazen, een christelijke politicoloog verbonden aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet die zich heeft opgeworpen als woordvoerder van de anti-Palestijnse stemming. ,,Van een splijtzwam in de jaren '60 en '70 is het nu een van de weinige kwesties geworden die het hele politieke spectrum verenigt.'' Hij haalt uitspraken aan van de Libanese premier, de president en de belangrijkste politici: de Palestijnen moeten weg. Hetzelfde staat in het Tayf-akkoord dat in 1989 een einde maakte aan de Libanese burgeroorlog. Volgens een opiniepeiling vindt 50 procent van de Libanese shi'ieten en 56 procent van de christelijke maronieten dat tawtin ,,desnoods met militaire middelen moet worden voorkomen''. Een Westerse diplomaat in Beiroet vat samen: ,,Wat de Libanezen betreft, is het recht op terugkeer voor de Palestijnen veranderd in de plicht tot terugkeer.''

Maar of die `plicht' wordt vervuld, is hoogst twijfelachtig. Israel weigert categorisch iedere terugkeer en staat internationaal waarschijnlijk sterk genoeg om de poot stijf te houden, terwijl in Gaza en de Westelijke Jordaanoever plaats noch water voor de vluchtelingen is. Ook is Israel tegen vestiging van de vluchtelingen in die gebieden. Worden de Palestijnen in Libanon straks `geofferd' door Arafat, dat wil zeggen `geruild' in de onderhandelingen met Israel voor een concessie over bijvoorbeeld Jeruzalem? En waar moeten ze dan heen?

De kwestie is urgenter dan ooit nu Israel heeft aangekondigd zich uiterlijk zeven juli dit jaar eenzijdig terug te trekken uit de `veiligheidszone' in Zuid-Libanon die het sinds 1982 bezet houdt. Een gerenommeerde analist in Beiroet die alleen off the record wil praten licht de zorg toe in Libanon, waar Syrië met 35.000 soldaten feitelijk de dienst uitmaakt: nu Israel zich terugtrekt uit Libanon, ontvalt Syrië een belangrijke troefkaart in de eigen onderhandelingen met Israel. Jarenlang heeft president Assad geprobeerd Syrische veiligheidsgaranties voor de Libanees-Israelische grens te koppelen aan teruggave door Israel van de bezette Golanhoogte aan Syrië. De angst is nu dat Syrië Palestijnen aanvallen laat uitvoeren op Israel, om zo de druk op de ketel te houden. In andere woorden: zullen de Palestijnen de rol overnemen van Hezbollah, de Libanese guerillabeweging die nu namens Syrië de Israëli bestookt? ,,Syrië had de kampen allang kunnen ontwapenen. Dat ze dat nooit hebben gedaan duidt erop dat ze de `Palestijnse kaart' achter de hand willen houden'', aldus de analist.

Beroepsverbod

In haar kantoortje bij de peuterspeelzaal in het vluchtelingenkamp Burj al-Barajne, schetst psychologe Olfat Mahmud de snel verslechterende positie van de Palestijnen in Libanon. Sinds de Oslo-akkoorden tussen Israel en de Palestijnse leider Arafat in 1993 gaat alle aandacht van de PLO en internationale donoren uit naar Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Tevens zijn de fondsen van UNRWA, het VN-orgaan dat de vluchtelingen sinds 1949 opvangt, geslonken. Medische, sociale en eduatieve voorzieningen zijn sterk teruggelopen; operaties worden boven een bepaalde leeftijd niet meer uitgevoerd, studiebeurzen zijn afgeschaft. Overmakingen uit de Arabische golfstaten zijn na de Golfoorlog, waarin Arafat Irak steunde, ook opgedroogd omdat de Palestijnen eruit werden gegooid, of veel lagere salarissen kregen. Emigreren kan alleen illegaal, en heeft een enorme schaduwzijde: sinds vijf jaar verbiedt de Libanese regering Palestijnen die in Libanon zijn geregistreerd maar in het buitenland verblijven, terug te keren. Tenzij een emigrant een andere nationaliteit bemachtigt, kan hij zijn familie niet meer opzoeken. De Libanese regering verbiedt infrastructurele verbeteringen of uitbreiding van de kampen, waardoor de Palestijnen steeds nieuwe verdiepingen op hun toch al krakkemikkige huizen moeten bouwen. Ieder jaar storten gebouwen in. Goede riolering en regenwaterafvoer ontbreken, elektriciteitskabels steken als spaghetti uit de muren; elk jaar worden mensen geëlektrocuteerd, vooral spelende kinderen.

Het beroepsverbod is het ergst, zegt bijna iedereen. ,,Mijn zoontje van tien riep gisteren dat hij later piloot wil worden'', vertelt lerares Magda uit het vluchtelingenkamp Ayn al-Hilwa in Zuid-Libanon waar 60.000 mensen wonen op een vierkante kilometer. ,,Wat moet je als ouder daarop antwoorden? Dat hij goed z'n best moet doen op school? Dan zou ik liegen, want ook al is hij goed op school, piloot mag hij niet worden.'' Abu Najib volgde een opleiding tot toneelregisseur in Syrië, moest na z'n afstuderen terug, en verkoopt nu schoenen. Dokters werken in de landbouw, accountants geven privé-lessen Engels.

De 15-jarige Samira volgt een kapperscursus bij een vrouwenorganisatie in Ayn al-Hilwa. Een eigen salon openen mag niet in Libanon, vertelt ze, en werken bij een Libanees betekent discriminatie. ,,Zodra ze erachter komen dat je Palestijns bent verlagen ze je salaris'', zegt ze.

Hoe moet dit verder? ,,Als onze jongens op televisie iets zien over Hamas willen ze wel in het toestel kruipen van verlangen erbij te zijn'', zegt Olfat Mahmud. Huisvrouw Muntasir uit Shatila vertelt trots over de oom van haar man, die ,,het martelaarschap behaalde'' bij de aanslag op Israelische atleten bij de Olympische Spelen van 1972 in München. Achter haar hangt een poster van de 17-jarige Ibrahim Sarradj die onder het motto `als ik niet mag kiezen hoe ik leef dan kies ik hoe ik sterf' een zelfmoordaanslag pleegde voor Hamas in Israel.

Katoesja-raket

,,Een Palestijns offensief vanuit de Libanese kampen tegen Israel is absoluut ondenkbaar'', zegt een Westerse diplomaat in Beiroet stellig. ,,Als de mensen uit de kampen iets ondernemen, dan zullen dat speldenprikken blijven. Maar houd je een speld toevallig net tegen een ballon, heb je wel een enorme knal. En de drempel is laag. Een Katjoesja-raket op Noord-Israel afschieten kost ongeveer 300 dollar, plus misschien 50 dollar beloning.'' Israel heeft al aangekondigd aanvallen meedogenloos te vergelden. ,,Libanon zal branden'', zei minister van Buitenlandse Zaken Levy, ,,kind voor kind.''

Een complicerende factor is verder Arafat die sinds oktober vorig jaar weer geld en wapens naar Libanon stuurt. Doel is het opzetten en in stand houden van milities en zo zijn invloed in de kampen te herstellen. Arafat verloor zijn gezag in 1993 aan Syrië met het sluiten van de Oslo-akkoorden. Vluchtelingen buiten de bezette gebieden zagen dat verdrag als verraad omdat er geen enkele garantie instond voor hun terugkeer. Libanon reageerde direct op Arafats initiatief en veroordeelde enkele van zijn prominente medestanders wegens staatsgevaarlijke activiteiten ter dood. De veroordeling was bij verstek, en sindsdien komen Arafats mannen de kampen niet meer uit. Het signaal was onmiskenbaar: Libanon zal alles doen om niet met de Palestijnse vluchtelingen te worden opgescheept.

Arafats initiatief was bovenal symbolisch en voor eigen gebruik in de onderhandelingen met Israel, meent men in Beiroet. Een lokale journalist beschrijft de nieuwe milities van Arafat als ,,padvinderij'', een kwalificatie die off the record door prominente Palestijnen in de kampen wordt gedeeld. Ook andere groepen en milities in de kampen, moslim-fundamentalistische en anderszins, ontbreekt het aan middelen en eensgezindheid een vuist te maken. ,,Sinds de PLO in 1982 uit Libanon werd geëvacueerd, zijn de overgebleven Palestijnen politiek gemarginaliseerd'', geeft veteraan Suhayl Natour toe.

Niemand zegt het hardop in de kampen, maar de meesten beseffen dat ze van Arafat weinig te verwachten hebben. Arafat kan weinig doen omdat zijn onderhandelingspositie tegenover Israel zwak is. En Arafat wil weinig doen omdat de verpauperde vluchtelingen in Libanon binnen `de Palestijnse gemeenschap' niet, of niet meer, behoren tot zijn electorale achterban.

Wat gebeurt er als Arafat de vluchtelingen straks laat vallen? Over een ding is iedereen het eens: de beroerde condities in de kampen en de uitzichtloze toekomst van de jongeren is een uitstekende voedingsgrond voor radicalisme. Toen Arafat zijn milities opzette, hoefde hij jonge kerels maar dertig dollar in de maand salaris te bieden. ,,Dat toonde overduidelijk aan'', zegt een Libanese journalist, belast met het dossier, ,,dat je ook met met beperkte middelen snel invloed kunt krijgen.''

De lotgevallen van de Palestjnen hebben geleid tot scherpe verschillen en conflicten tussen de vier generaties vluchtelingen, vertelt psychologe Olfat Mahmud. ,,Bij traumatische ervaringen heb je drie mogelijkheden'', vertelt ze, duidelijk blij dat ze haar vak – dat valt onder het Libanese beroepsverbod – kan gebruiken. ,,Je kunt vechten, vluchten of bevriezen.'' De eerste generatie, nog zo'n drie procent, is geboren en getogen in wat nu Israel is. Zij verloren met hun verdrijving hun waardigheid en `bevroren'. Mahmud: ,,Als ik mijn oma een aardbei geef, of thee of een sinaasappel, het maakt niet uit, haar reactie is: waardeloos! In Palestina waren de aardbeien veel zoeter, de thee krachtiger, de sinaasappels sappiger.'''

De tweede generatie, die van Mahmud zelf, werd geboren in Libanon en heeft gevochten, tevergeefs. Zij waren druk met overleven en hadden grote moeite bij hun eigen kinderen de herinnering aan Palestina levend te houden. Volgens Mahmud maakte dit hun kinderen, nu rond de 20-25, tot een `verloren generatie'. ,,Zij vluchten, naar Amerika, Canada, Europa. Ze vragen ons wat onze inspanningen hebben opgeleverd.'' De derde generatie kent Israel alleen van bombardementen. Ze zien dat Arafat hen de middelen van bestaan ontzegt, zijn doodziek van de discriminatie door de Libanezen, teleurgesteld in de Arabische regimes die niets voor ze doen. ,,Een voorbeeldje'', zegt Mahmud. ,,Israel is officieel de vijand voor de Arabische landen. Maar als een Israëlier naar Egypte of Jordanie wil, krijgt hij een visum. Palestijnen sturen ze terug.''

Alle Libanese verzet ten spijt voorzien diplomaten, analisten en lokale journalisten in Beiroet ruwweg de volgende uitkomst voor de vluchtelingen, als Israel en de Palestijnse autoriteiten tot een definitieve vredesregeling komen: medestanders van Arafat plus familie gaan naar Gaza en de Westelijke Jordaanoever, een deel wordt opgenomen door Westerse landen, terwijl een ander contingent wordt herenigd met familie in Arabische landen, met name in de golf. Het restant blijft in Libanon en krijgt een soort Palestijns reisdocument, zonder te mogen terugkeren naar de dan uitgeroepen Palestijnse staat.

Op die manier raakt het sectarische politieke evenwicht in Libanon niet verstoord. Uiteraard moet de pil worden verzacht met financiele compensatie voor de Palestijnen en Libanon, waarschijnlijk uit de Verenigde Staten en Europa. De hernieuwde competitie in de kampen tussen Syrische en pro-Arafat facties wordt dan ook wel verklaard uit de wens straks dichtbij de pot met geld te zitten. Libanon zet zich om dezelfde reden schrap.

Intussen groeit de vierde generatie vluchtelingen op. ,,Als ik mijn leerlingen op de lagere school vraag waar ze vandaan komen, zeggen ze: `Uit het vluchtelingenkamp Ayn al-Hilwa','' vertelt lerares Magda. ,,Dat gaat dus verkeerd.'' Het onderwijsprogramma van UNRWA bereidt voor op een Libanees centraal examen. De geschiedenisles behandelt de Libanese geschiedenis en telt maar een paar pagina's over de Palestijnen.

In de meeste kampen gaan kinderen nu op excursie om Palestijnse folkloristische dansen en liederen te leren. Er zijn workshops over het borduren van traditionele kleding en eens per week vertelt een ouderling over vroeger. Kleine kinderen noemen de stad of het dorp waar hun grootouders werden geboren, en de ouderling verhaalt over hoe het er in 1948 uitzag.

Magda bladert door een fotoboek van de activiteiten, en wijst op het verslag van de meest recente herdenking van al-Nakba, `de catastrofe', zoals de Palestijnen de stichting van Israel noemen. ,,Alle kinderen van het kamp hebben een ballon opgelaten, met daaraan een brief aan een Palestijns kind in Israel. Het was een mooi, fleurig gezicht en een geslaagde middag'', wijst ze op een foto met lachende kindergezichten. Maar de meeste ballonnen kwamen terecht in Cyprus, en geen enkele bereikte uiteindelijk de plaats van bestemming, Met een klap slaat ze het fotoboek dicht. ,,De wind stond verkeerd.''