Toffe dag

We stonden op een hoog gebouw, de nog betrekkelijk jonge Amsterdamse agitator en ik. Onder ons strekte zich, in de dunne, grijsblauwe nevel van de voorjaarsdag de hoofdstad uit. Aan de ene kant in de verte de overkapping van het Centraal Station, de oude Wester, de koepel van de Lutherse Kerk, de Zuiderkerk en het torentje van het Paleis, en aan de andere, de hoogbouw van de Zuidas en het va-et-vient van de vliegtuigen die de verbindingen met andere werelddelen onderhouden. Even luisterden we naar het donker grommen, dat het levensgeluid van iedere grote stad is.

,,Geen wonder'', zei ik, ,,dat de UNESCO deze stad tot wereldmonument heeft uitgeroepen. Als Rembrandt met zijn schetsboek eens op deze plaats had gestaan!'' Ik dacht aan de ets die hij, zittend aan de Amstel, van de Amsterdamse skyline heeft gemaakt. Daar staat nu een beeld, de schilder voorstellend terwijl hij zit te schetsen.

,,Ja'', zei de agitator. ,,Dat zou prachtig zijn: Amsterdam in vogelvlucht door Rembrandt. Maar nu de begane grond. Heb je dat stukje van Remco Campert in de Volkskrant van maandag gelezen?''

,,Je bedoelt dat waarin hij beschrijft hoe de Batavieren lallend en schreeuwend de stad binnentrekken? Waarin hij voorstelt, een loltrapbelasting te heffen?'' Ja, dat had ik gelezen. ,,En'', vroeg ik, ,,heb jij dan ook dat stukje van Frits Abrahams over het woestzeiken als belangrijkste begeleidend verschijnsel van hoofdstedelijke feestdagen gelezen?'' Dat had hij.

Het gesprek ging verder, over hoe het hier iedere feestdag meer een toffe, jolige, hartstikke te gekke, uit bol en dak gaande, vrije zuip- en zeikbende wordt en hoe leuk ze daarover in het buitenland praten. Kortom, de Amsterdamse litanie die we eigenlijk al een jaar of twintig afdraaien. Als je er nog eens een stukje over schrijft, hoor je van de fine fleur van Amsterdam dat je niet zo moet mopperen. Kleine metropool. moet kunnen! Kwak nog maar een paar miljoen in een bodemloze put of in het mishandelde nationale plein of in een museummoeras. Ik zeg er niets meer over, wilde ik al besluiten. Maar toen schoot me nog één toelichting te binnen.

,,Dat hier zoveel mensen die door ons zijn aangesteld om de stad te bewaren en mooier te maken, hun best doen om te verpesten wat ze kunnen, daar ben ik langzamerhand aan gewend. Maar ik kan er niet aan wennen, dat de Amsterdammers het met zoveel lankmoedigheid blijven aanzien. Dat ze een wethouder niet zonder pardon in zijn eigen moeras gooien, de kermis eens verplaatsen van de Dam naar het Waterlooplein zodat de bestuurders zich iedere ochtend persoonlijk een weg door stank, getetter en bierblik naar hun werk moeten banen. Zulk soort dingen. Die begrijp ik niet. Het lijkt wel alsof de Amsterdammers ervan overtuigd zijn geraakt dat het zo hoort. Ze vinden het gewoon, heel gewoon, als de binnenstad, die ze zelf tot permanente kermis en hoerenbuurt hebben gemaakt (met een reisgids door de politiecommissaris persoonlijk geschreven), voor 175 miljoen op de schop wordt genomen.'' Dat zei ik tot slot.

De agitator schudde zijn hoofd. ,,Nù ben je op het verkeerde pad'', zei hij. ,,Ik geef toe dat de nood hoog is gestegen, maar dat heeft juist zijn verdienste. Het wordt langzamerhand tijd voor een opstand. De tijd rijpt. Het volk moet laten weten dat het er genoeg van heeft, daadwerkelijk. Daarvoor moeten we agiteren.''

Toen moest hij zijn kinderen van school halen en ook voor mij werd het weer eens tijd om te vertrekken. ,,Agiteren, agiteren'', zei ik, meer tegen mezelf dan tegen hem. En toen met stemverheffing: ,,Vooruit! Eén stukje dan nog.'' Bij deze.

Tegen beter weten in. Intussen is de bevrijdingsdag aangebroken. Geoefend als ik ben in het oversteken van de Dam, zie ik al aan de kleinste kleinigheid dat er iets hartstikke tofs op til is. Het is vijf over acht, twee gemeentefunctionarissen zetten de eerste dranghekken neer. De genietroepen van de lol. Ik heb respect voor die vakmensen. Nog geen twee uur later staan er een reusachtig podium, vijf tentjes voor de patat- en snackvoorziening en nog wat hatsiekadee-bevorderende installaties. Een draaiorgel in de Kalverstraat biedt nog hardnekkig verzet tegen het megawattgeweld van de luidsprekers maar zal binnen een uur heldhaftig ten onder zijn gegaan. Over de rode loper van het Damrak rukken de eerste legioenen Batavieren uit de provincie binnen. Laten we hopen dat ze het gidsje van de commissaris bij zich hebben. Staat daar ook iets in over het wildzeiken? Ik ga me straks dit boekje aanschaffen.

Het is twaalf uur, noteer ik. De zon schijnt. Het belooft een toffe dag te worden.