Reis naar Zwitserland (2)

In de zomer van 1942 trokken we van Brussel naar de Franse grens. We waren met z'n zessen: Ida en ik, een stille jongeman en drie Franse soldaten die uit een Duits krijgsgevangenkamp waren ontsnapt. We wilden allemaal de grens over, de Fransen om naar huis te gaan, de drie Nederlanders om een weg naar Engeland te vinden.

In het grensplaatsje Péruwelz konden we niet verder. De avondklok bleek daar al om zes uur te beginnen, veel vroeger dan elders in bezet gebied. Het was dus zaak om niet op straat te blijven, want dan kon je in handen van een Duitse patrouille vallen. Een tikkeltje radeloos belden we bij een willekeurig huis aan. Een oud vrouwtje maakte open en reageerde op ons verhaal met: ,,Kom gauw binnen, want hiernaast woont een rexist.'' (Rexisten waren een soort Belgische NSB'ers.) De volgende ochtend bracht haar man ons naar een bos waar we veilig de grens konden oversteken. Nou ja, veilig, halfweg stuitten we op een Duitse patrouille, compleet met karabijnen, zoeklichten en een grommende hond. Er gebeurde echter niets. We groetten elkaar vagelijk, zij liepen door en wij liepen door. Onbegrijpelijk.

Aan de Franse kant zouden we naar een stad met een spoorwegstation lopen. We haalden dat echter niet voor het begin van de avondklok en maakten in een dorp halt. Opnieuw belden we op goed geluk ergens aan, maar ditmaal was de ontvangst minder hartelijk. Een Poolse vrouw, alleen thuis omdat haar man in een nachtploeg zat, en gierend bang om ons binnen te laten. Ze had gelijk, maar we lieten haar geen keus en plantten ons in haar keuken om de ochtend af te wachten. Daarna met de trein naar Parijs. Bij aankomst dreigde de zaak mis te lopen omdat alle binnenkomende reizigers hun papieren moesten laten zien. We besloten ons ieder apart door de controle te manoeuvreren en elkaar buiten het station weer te ontmoeten. Ik vond alleen Ida en één Fransman terug.

In een Parijs nonnenklooster kregen we eten en een veilige slaapplaats, maar we moesten verder. De moeilijkste grens moest nog komen, die tussen bezet en onbezet Frankrijk, de zogenoemde demarcatielijn. Weer kwamen we in een dorpje terecht en weer zaten we met het probleem dat je 's avonds binnen moest zijn. We hadden intussen van lotgenoten gehoord dat katholieke geestelijken in Frankrijk altijd te vertrouwen waren. Ze zouden je niet altijd helpen – dat hing van hun persoonlijke moed af – maar ze zouden je nooit verraden. Dus gingen we naar de pastoor. Die wilde wel helpen, maar een vrouw 's nachts onder zijn dak, nee, dat kon niet. Na enig onderhandelen mocht Ida in de schuur slapen. De volgende ochtend bleek dat de Duitsers, die waarschijnlijk over onze aanwezigheid getipt waren, alle huizen van het dorp doorzocht hadden. Ook bij de pastoor hadden ze aangebeld, maar toen die niet opendeed, waren ze gewoon verdergegaan. Uit respect voor monsieur le curé?

De volgende ochtend bracht onze gastheer ons naar een heuveltje buiten het dorp. Hij wees naar een ander heuveltje, een kilometer of twee verderop. ,,Daar begint de vrije zone. Maar er lopen hier Duitse patrouilles. Met honden. Bonne chance!'' We renden en het lukte.