Op herhaling

Veel mensen vinden het vervelend als iemand in hun omgeving een boek leest en voortdurend zit te lachen. Ik kan daar nauwelijks over meepraten. In dergelijke situaties ben ik doorgaans de lezende partij. Maar ik herinner me wel een meisje op een vliegveld bij Londen.

Dit is lang geleden, want ik kwam terug uit Amerika en daar ben ik maar twee keer geweest, eerst voor een verhaal over Van Agt in Washington en daarna voor een verhaal over indianen in de buurt van Wounded Knee, beide keren voor Nieuwe Revu, dus vóór 1985.

Dat meisje kwam in de wachtruimte tegenover me zitten en installeerde zich voor wat zich liet aanzien als een lange leespauze. Ze had in de kiosk een pocket gekocht. Ik zag dat het Catch 22 van Joseph Heller was.

Sommige mensen lezen in het openbaar zo demonstratief dat het obsceen wordt; je wílt niet eens weten welk boek ze voor je ontbloten. Daar staan mensen tegenover die hun domein buitengewoon angstvallig afbakenen en een boek opzettelijk zo vasthouden dat je de vreemdste capriolen moet uithalen om erachter te komen wat het is.

Dat meisje, Catch 22, geen probleem. Ik zag haar een begin maken, ik zag haar ogen over de eerste regels gaan en ik dacht: nu ligt hij in het hospitaal. Met `hij' bedoel ik uiteraard kapitein Yossarian (maar ik moet toegeven dat ik dat na al die jaren even heb opgezocht).

Dat meisje. Ik zag haar de pagina omslaan en ik dacht: nu gaat hij een stel soldatenbrieven censureren, ik dacht: nu kan ze elk moment in lachen uitbarsten. Spannend.

En inderdaad, toen boog ze zich enigszins voorover. Haar schouders begonnen te schokken en als je niet zo goed had opgelet, had je gedacht dat ze onbedaarlijk zat te huilen.

En ik – ik had plezier om dat boek van Heller, dat ik eerder al met zoveel plezier gelezen had, en om mijn voorspelling, die zo fraai was uitgekomen, en om dat meisje zelf natuurlijk, dat meisje dat wel nooit zou weten hoe schitterend het ijs tussen ons gebroken was.

    • Koos van Zomeren