Machetes van het huis

In september ruimden moordende milities het veld in Oost-Timor. Nu zitten de Oost-Timorezen met de kater na de vrijheid.

Frank Vermeulen keerde terug naar het eiland dat hij een half jaar geleden halsoverkop verliet. Om zijn verhaal af te maken. En om zijn vriend Sander Thoenes, diein die chaotische dagen werd vermoord.

Het is niet makkelijk om op Oost-Timor Manuel Galhos en zijn broer Francisco terug te vinden. Ik leerde ze kennen in september vorig jaar, toen ze met duizenden anderen langs de kustboulevard van Dili kampeerden. Ze waren daarheen gedreven door de Oost-Timorese milities, die Indonesië steunden, en door Indonesische militairen. Uit angst voor de terreur durfden ze toen alleen hun voornamen te zeggen. Ze hadden me verteld dat ze in de buurt van het vissersdorpje Pasir Putih woonden, een half uur rijden langs de kust in oostelijke richting.

De angst onder de vluchtelingen was in die chaotische septemberdagen bijna tastbaar. Een week eerder hadden milities Manuels schoonzoon Thomas Americo, een beroemde bokser, voor de ogen van zijn familie doodgehakt. Manuels dochter zat op een bankje, haar armen om een portret van haar dode man geslagen.

Terwijl de net aangekomen Australische vredestroepen al patrouilleerden in de nog brandende Oost-Timorese hoofdstad Dili, probeerden leden van milities de vluchtelingen te dwingen op een schip te stappen dat ze naar het westelijke, Indonesische, deel van het eiland zou deporteren. Toen ik Manuel vroeg waarom hij niet vertrok, zoals alle anderen, zei hij: 'We glippen er wel doorheen.' Hij maakte er kronkelbewegingen bij met zijn rechterhand.

Zijn broer Francisco, voormalig ambtenaar, was daar minder gerust op. Hij wees op de voorbijrijdende vrachtwagens vol met Indonesische soldaten en fluisterde in het Engels: 'Zolang zij hier zijn, is het oorlog.'

Een half jaar later ben ik terug in Oost-Timor. Van Pasir Putih, waar ik Manuel en Francisco hoop terug te vinden, is niet meer over dan een handvol zwartgeblakerde muren. Een torenhoog standbeeld van Jezus Christus kijkt ongeschonden uit over de baai van Dili. Het gehucht ligt een paar honderd meter van de kustweg af. Ter beschutting tegen zon en regen hebben de dorpelingen blauwe zeilen van de VN gespannen. Ergens schalt luide muziek uit een gettoblaster. Twee mannen komen argwanend naar de weg gelopen. Ze zeggen de schoonvader van Thomas Americo niet te kennen. Het kan ze kennelijk ook niet veel schelen: in Oost-Timor zijn zoveel mensen kwijt.

Een van de vele onoplosbare kwesties

Lange tijd was Oost-Timor gewoon een 'kwestie'. Net zoals Atjeh, West-Papoea of de Molukken. En vanuit mijn standplaats Jakarta gezien niet eens de belangrijkste. In 1975 viel Indonesië de voormalige Portugese mini-kolonie binnen, een jaar later werd Oost-Timor geannexeerd. Het revolutionair bevrijdingsfront van Oost-Timor, Fretilin, bestaande uit een samenbundeling van sociaal-democratische tot Maoïstische politieke partijtjes die streden voor onafhankelijkheid, ging ondergronds. De inlijving werd oogluikend toegestaan door de Verenigde Staten en door buurland Australië. Maar de Verenigde Naties weigerden de annexatie te erkennen. Volgens hulporganisaties vonden zeker 200.000 Oost-Timorezen de dood kort na de 'integratie' met Indonesië. Bovendien bleven guerrillastrijders van Falintil, de gewapende arm van Fretilin, zich vanuit de bergen verzetten tegen de Indonesische soldaten. Zo was Timor al meer dan twintig jaar een van de vele on oplosbare problemen van Indonesië.

Oost-Timor kwam letterlijk mijn werkkamer binnen toen ik een jaar geleden, net als alle buitenlandse correspondenten in Jakarta, een fax ontving met een recht-streeks dreigement: Australische journalisten en diplomaten die naar Oost-Timor kwamen, zouden worden doodgeschoten. Was getekend: Joao Tavares en Eurico Guterres, commandant en onder-commandant van de Strijdgroepen voor Integratie (Pasukan Perjuang Integrasi). Deze paramilitaire groepen waren vanaf de zomer van 1998 gemobiliseerd en werden betaald door de Indonesische strijdkrachten. Ze moesten de indruk wekken dat de Oost-Timorezen bij Indonesië wilden blijven horen en dat een burgeroorlog zou uitbreken als het land onafhankelijk zou worden. Begin vorig jaar maakte de Indonesische interim-president B.J. Habibie bekend dat de Oost-Timorezen per referendum mochten kiezen tussen autonomie binnen Indonesisch staatsverband en totale onafhankelijkheid. De milities begonnen een terreurcampagne om de bevolking te dwingen voor Indonesië te kiezen.

Maar de bevolking deed iets anders. Gesterkt door de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap, stemde op 30 augustus 1999 bijna 80 procent voor onafhankelijkheid. Toen die uitslag op 4 september bekend werd, begonnen de Indonesiërs honderdduizenden inwoners van Oost-Timor te deporteren naar West-Timor en andere eilanden. Een onbekend aantal mensen vond de dood en tachtig procent van de gebouwen in de hoofdstad Dili, maar ook in plaatsen als Manatuto, Maliana, Suai en Oecussi werd met de grond gelijk gemaakt.

Pas op 20 september zetten Australische troepen voet aan wal in Dili. Een dag later landde ik met tientallen buitenlandse journalisten in een gecharterd vliegtuig. Om twee dagen later weer te vertrekken, met de totale vernietiging op mijn netvlies en de verwijten in mijn oren van Oost-Timorezen die zich door de internationale gemeenschap verraden voelden. En zonder mijn collega en vriend Sander Thoenes, corres-pondent in Jakarta voor de Financial Times. Hij was doodgeschoten. Oost-Timor was voor mij voorgoed geen 'kwestie' meer.

De beklemming is weg

Na veel zoeken en vragen vind ik de gebroeders Galhos in Bidao Santana, een kampung die tegen Dili aangeplakt ligt. De huizen staan lukraak onder hoge klapperbomen, tussen moestuinen die met zwarte varkentjes zijn bevolkt. Alleen de kleine moskee is platgebrand: restant van de Indonesische poging tot gelijkschakeling van deze nieuwe rooms-katholieke provincie.

Manuels huis herken ik aan de vaalblauwe Landrover. Tussen deze auto en een boom was in september een oranje zeil gespannen als onderdak voor de hele familie. Als de broers eindelijk tevoorschijn komen, zijn ze duidelijk verlegen met de situatie.

De oudste van de twee, Manuel (63), is een trotse selfmade man. Hoewel hij alleen lager onderwijs heeft gehad - wat in de Portugese tijd overigens een uitzondering was - reed hij op zijn twintigste al rond in zijn eerste auto. Monteur was hij. En dat is hij nog steeds. Hij kijkt neer op mensen die nu passief rondhangen, die afhankelijk zijn van de hulp van alle internationale organisaties die na het vertrek van de Indonesiërs op het eiland zijn neergestreken. 'Ik ga met mijn auto langs de straten. Overal liggen kapotte apparaten. IJskasten, televisies, ventilators, airconditioners. Noem maar op. Ik repareer ze en verkoop ze.'

De beklemming, de angst van onze eerste ontmoeting bij de boulevard in september is weg. Nadat het huis van Manuel aan de kust was verwoest, is hij hier ingetrokken. Hij heeft dit huis ooit zelf laten bouwen, maar later heeft hij het verkocht aan een Chinees. De nieuwe Chinese eigenaar begon een kippenhouderij op het aanpalende erf, maar toen de milities met hun terreurcampagnes begonnen, is hij naar Singapore gevlucht. Achter de schutting van de kippenboerderij maakten de mannen van de Aitarak-militie, onder leiding van Eurico Guterres, voortaan hun eigen kogels en wapens, zegt Francisco. 'Hier om de hoek was commandopost nr. 12 van Aitarak. Veel mensen in deze buurt hoorden bij die groep. Daarom staan de meeste huizen nog overeind.' Maar wat als de Chinese eigenaar van Manuels huis terugkeert? Manuel haalt zijn schouders op: 'Dan moet hij me betalen, omdat ik op zijn huis gepast heb. En van dat geld kan ik mijn eigen woning herbouwen.'

Zes maanden na de Indonesische furie zijn de straten van Dili nog altijd bezaaid met uitgebrande autowrakken. Huizen, winkels, scholen en kantoren missen ramen, deuren en daken. Op de resten van de muren levert de militie-grafitti de cynische ondertiteling: Het lot van Oost-Timor komt uit de loop van een geweer (Wasib Timor Timur ada diujung senjata).

Dit is het verlaten decor dat ik me herinner. In die chaotische septemberdagen doolden tussen de puinhopen bewoners als schimmen rond. Indonesische soldaten stonden met strakke blikken op strategische plekken in hun mitrailleursnesten. De Australische militairen patrouilleerden behoedzaam door de straten, hun automatische geweren in de aanslag. Ze hadden alleen de smalle strook langs de kust min of meer onder controle. In de stad gingen nog steeds regelmatig plotseling huizen in vlammen op.

Mijn nekharen gaan ook nu weer overeind staan als ik de helikopters met hun kepokkepokkepokkepokkepok laag over de stad hoor razen. Toen, in de nacht van 21 op 22 september, was de maan nog niet op zodat je de onverlichte helikopters alleen kon horen. In het verlaten Sint Paulusklooster, waar ik met tientallen andere journalisten onderdak had gevonden, ging het gerucht dat de Australiërs op zoek waren naar een vermiste Britse collega-journalist. Gaandeweg realiseerden we ons dat we totaal onbeschermd waren in het klooster. De Australische troepen, die tweehonderd meter verderop in een hotel zaten, voelden zich niet verantwoordelijk voor de journalisten die onaangekondigd waren opgedoken. Elke overvliegende helikopter onderstreepte dat plotselinge, wezenloze gevoel van onveiligheid.

Ik herinner me hoe ik me later die nacht schrap zette op de planken van het matrasloze bed in een van de lege kamertjes van de weggevoerde nonnen. In de loop van de avond was het opgetogen bericht binnen gekomen dat de Australiërs de Britse journalist en zijn fotograaf ongedeerd hadden teruggevonden. Maar rond middernacht was duidelijk geworden dat er iets vreselijk mis was met Sander Thoenes. Er waren ongeruste telefoontjes gekomen uit Amsterdam en Londen. De redacties van de Financial Times en Vrij Nederland, waar hij voor werkte, wilden weten waar hij was. Hij had zijn deadlines gemist. Sanders vriend had me overstuur vanuit Jakarta gebeld, maar ik had hem gekalmeerd. Nu lag ik volledig aangekleed in de klamme warmte van de tropennacht te luisteren naar mogelijke alarmerende geluiden van buiten. Starend naar de afbeelding van Maria aan een spijker boven mijn hoofd. Ik had heel sterk het gevoel dat ik dit niet zelf meemaakte, maar alleen maar toeschouwer was.

Het gele plastic lint ligt daar nog altijd

Het gele plastic lint van de politieversperring rond de plek waar Sanders lichaam werd gevonden, ligt daar nog altijd in het onkruid. In een belendend perceel, achter de schutting van platgeslagen roestige oliedrums, blaft een hond woedend en aanhoudend. Naast de plek, onder een hoge mango boom achter een varkenskot waarvan het dak is ingestort, staat Francisco de Cavarho. Hij was erbij toen het lichaam van de blanke buitenlander daar werd gevonden. 'Dat was 's ochtends om een uur of zes. Alle mensen uit de buurt waren de middag ervoor weggevlucht toen er om een uur of vijf verderop werd geschoten. Later, toen we bij de rivier verstopt zaten, hoorden we weer schieten, vanuit deze richting.'

Het rapport van de Australische rechter van instructie concludeert op basis van getuigenverklaringen dat Sander hoogstwaarschijnlijk is doodgeschoten door manschappen van bataljon 745 van het Indonesische leger, onder commando van luitenant-kolonel Sarosa. Dit bataljon, bestaande uit Oost-Timorezen, was op 21 september bezig met de terugtocht naar Indonesisch West-Timor. Bataljon 745 is het enige dat onlangs is opgeheven.

Journalistieke kortsluiting

Als ik haar groet, glijdt er even verwarring over het geplooide gezicht van Manuela dos Santos, dan klaart het op en breekt een glimlach van herkenning door. Het is meteen de eerste keer dat ik haar zie lachen. Manuela (54), moeder van tien kinderen en grootmoeder van tien kleinkinderen, woont nog altijd bij het klooster. Daar vluchtte ze naartoe nadat haar bakkerij in september was geplunderd en in brand was gestoken. Toen de internationale pers neerstreek in het klooster, zorgde zij samen met een buurmeisje dat zij onder haar hoede had genomen voor maaltijden en voor de was. Nu bakt ze in het klooster in een verweerd elektrisch tafeloventje broodjes voor één van de nieuwe hotels in Dili. Een paar van haar kinderen zijn nog in West-Timor, waar ze na het referendum naartoe waren gevlucht.

Toen ik in september hoorde dat Sander dood was, vond er bij mij een soort journalistieke kortsluiting plaats, veroorzaakt door uiteenlopende emoties als ongeloof, verdriet, angst en vooral woede. Het gevolg was dat ik totaal onverschillig stond tegenover het verhaal waarvoor ik gekomen was: het lot van de bevolking van Oost-Timor liet me koud. Het verhaal had zich niet gehouden aan de ongeschreven regel dat het zich buiten mijn persoonlijke leven diende af te spelen. Later kreeg ik daar spijt van, omdat het onredelijk was. Bij het afscheid toen had Manuela met twee handen mijn hand vastgehouden, huilend. 'U kunt hier weg. Ons zullen ze vermoorden.' Ik had mezelf horen zeggen dat ze niet meer bang hoefde te zijn. De Australische soldaten zouden haar beschermen. Erg overtuigd daarvan was ik niet. Maar ik vertrok. En nu staat ze daar met haar witte meelhanden, over haar gezicht hangen slierten grijs haar, die ontsnapt zijn aan de wrong in haar nek. 'Heeft u trek in warme broodjes?' vraagt ze.

Australische carpetbaggers

Wat opvalt bij terugkeer in Dili, is de enorme energie die hier gestoken is in vernietiging. Aan die energie ontbreekt het de teruggekeerde mensen ten enen male.

Hier en daar zijn wel kleine groepjes, meest etnische Chinezen, in de weer in de geblakerde karkassen. Maar de meeste Timorezen lijken verdoofd, ze doen niet aan wederopbouw. 'We hebben nu onze vrijheid, maar de prijs daarvoor was wel heel hoog', zegt zakenman Oscar Lima. Zijn jongere broer Antonio werd in Ermera door militieleden gedood.

Veel Timorezen hebben net als Manuel Galhos de restanten van huizen in bezit genomen in de hoop dat de rechtmatige eigenaar nooit zal terugkeren. Overal staan anti-kraakteksten op muren als: 'De bezitter van dit huis is al terug'. Over het eigendom van onroerend goed heerst, bij afwezigheid van een kadaster, algehele verwarring. Bovendien lopen er drie rechtssystemen door elkaar: het gewoonterecht van de oorspronkelijke bevolking, aanspraken uit de Portugese tijd en aanspraken uit de 24 jaar van Indonesische overheersing. Investeerders durven daarom geen geld te steken in grote projecten, temeer omdat het nog altijd niet helemaal veilig is. Kleine groepen gewapende mannen steken regelmatig de grens tussen West- en Oost-Timor over om terreur te zaaien. De soldaten van de multinationale vredestroepen zijn ook in Dili nog voortdurend op hun hoede. Peacekeepers hebben altijd hun geweren bij zich, zelfs wanneer ze in groepjes lopen te joggen.

Serieuze investeerders mogen zich nog nauwelijks gemeld hebben, Australische avonturiers zijn er genoeg. Afhankelijk van hun bedrijfskapitaal scheuren zij rond in grote fourwheel-drives of op quadcycles, kleine vierwielige motoren. Ook zij hebben zich gewoon leegstaand bezit toegeëigend om een handel op te zetten, vaak in de dienstverlening aan andere buitenlanders en in de horeca. Zo kent het nieuwe Dili eetgelegenheden met namen als Phill's Grill of Bob's Burgers. Het meest trendy restaurant wordt gedreven door twee uit Australië teruggekeerde Timorese zusters en heet Afgebrand Huis. Secretaris-generaal van de Verenigde Naties Kofi Annan heeft daar tussen de beroete muren op het plastic meubilair van de Portugese keuken mogen genieten, en nog steeds zit het elke avond vol met gasten van zestig verschillende nationaliteiten die verrukt zijn over de originele atmosfeer.

De Australische carpetbaggers (profiteurs) drijven hotels met weidse namen als The Dili Lodge, Dili Palm's Hotel of Paximus Logistics. In al deze gevallen gaat het om haastig neergeplante porta-cabins, opgedeeld in kleine cellen, waarvoor astronomische bedragen worden gerekend.

Officieel heeft het overgangsbestuur van de Verenigde Naties de Amerikaanse dollar als nationale munt aangewezen, maar ook de Australische dollar en de Thaise bath worden geaccepteerd en de lokale handel gaat nog steeds in Indonesische roepia's. Zo is de verkoop van diesel en benzine, na de invoer van honderden tweedehands auto's uit Singapore, een duidelijke groeimarkt. Op de weg van het vliegveld Komoro naar het centrum van Dili slaat de benzinegeur je tegemoet, omdat de route bezaaid is met kleine 'tankstations' bestaande uit een aantal jerrycans brandstof onder een afdakje. De naam van de straat is in deze revolutionaire tijd omgedoopt van Jalan Ibu Tien Soeharto (de overleden vrouw van de Indonesische ex-president) in Avenida dos Mártyres da Patria, 7 dec. 1975, een verwijzing naar de Indonesische invasie.

Op straat floreert een zwartgeldcircuit. Vroeger werden buitenlanders begroet met 'Hey, Mister!' Nu hoor je overal samenzweerderig: 'Dollar-dollar-dollar?'

Buitenlanders zijn opportunisten

Maar de meeste mensen hebben eenvoudig geen geld. Ze zitten gehurkt op de ka de muur aan de haven onder de schaduw van oeroude waringins met afkeer te kijken naar de grote, witte hotelboot voor VN-ambtenaren, die de onwaarschijnlijke naam Olympia draagt, maar die voor hen meer weg heeft van het Paard van Troje. 'Buitenlanders die zeggen dat ze komen om het volk van Oost-Timor te helpen, zijn vaak opportunisten die uit zijn op winstbejag', zegt Sebastiao verbitterd. Ik ontmoette de idealistische student Engels Sebastiao do Rego twee jaar geleden bij mijn eerste bezoek aan Oost-Timor. De Indonesische president Soeharto was net afgetreden en voor hem en zijn vrienden leek de onafhankelijkheid binnen handbereik. De studenten droomden van een toekomst van vrijheid en welvaart, gebaseerd op de olie uit de Timor Gap, een olie- en gasveld onder de Timor Zee.

Ik zag Sebastiao vorig jaar september terug op televisie. Hij werkte inmiddels voor unamet, de VN-organisatie die het referendum liet houden. Maar hij was met de VN-medewerkers uit de belegerde unamet-compound geëvacueerd naar het Australische Darwin. cnn toonde hem in tranen: hij had net gehoord dat zijn hele familie was uitgemoord. Achteraf bleek dat allemaal onzin, zegt hij nu. Iedereen is gelukkig nog in leven. Zelf werkt hij op het kantoor van het Overgangsbestuur van de VN in Oost-Timor (untaet), gevestigd in het voormalige paleis van de gouverneur. Maar daar is hij niet echt trots op. 'De VN heeft veel kwaad bloed gezet omdat alles zo langzaam gaat, en omdat er onvoldoende banen naar Oost-Timorezen gaan. Ik ben een van de weinigen die werk gekregen hebben. Toen ik daar pas werkte, stond er een hele menigte voor mijn raam. Ze stonden te kijken naar een landgenoot die daar achter een computer zat. Ik was zo nerveus dat ik alleen maar onzin kon schrijven. Mijn vrienden maken nu grappen over mij, omdat ik nog altijd voor de VN werk.'

Sebastiao's kritiek wordt gestaafd door het vertrek van een van de lokale VN-bestuurders. Prof. Jarat Chopra, hoofd van het bestuur in de districten, betichtte VN-medewerkers in een uitgelekte brief van 'koloniale' praktijken. Hij verweet de leiding van het VN-Overgangsbestuur onduidelijkheid over de toekomstige machtsoverdracht. Zonder een duidelijke agenda, waarschuwde Chopra, raakt het VN-bestuur op drift, zal het volgend jaar verkiezingen organiseren als exit-strategy en de Timorezen achterlaten met onvoldoende kennis en vaardigheden om hun eigen land te besturen.

Het hoofd van de VN-missie in Dili is de Brazilliaan Sergio Vieira de Mello, een beminnelijke diplomaat in een onberispelijk grijs pak, onder een even onberispelijk grijze coiffure. Boven zijn bureau in het VN-paleis hangt een levensgroot portret van secretaris-generaal Kofi Annan, wiens speciale afgezant hij hier is. De naam Chopra brengt De Mello uit zijn diplomatieke plooi. 'Een man zonder principes!' briest hij. 'Anders had hij zijn ontslagbrief niet laten uitlekken om er vervolgens tussenuit te knijpen.' En de administrator zet uiteen dat er wel degelijk een agenda bestaat voor de democratische volwassenwording van het land. In augustus zal de Nationale Raad van het Timorees Verzet (cnrt), een paraplu-organisatie waarin de meeste politieke partijen samenwerken, een congres houden over de toekomst. Vervolgens staat er een 'brede consultatie' van de gehele Oost-Timorese bevolking op het programma, waarna een grondwet moet worden opgesteld. Volgend jaar augustus moet ten slotte een Constituerende Vergadering gekozen worden. En daarna, zegt De Mello, zijn er verschillende mogelijkheden, variërend van directe onafhankelijkheid tot een gefaseerde overschakeling. Maar dat maakt de Assemblee dan uit. De Mello: 'Chopra weet dus niet waarover hij spreekt en zijn beschuldigingen dat we hier bezig zouden zijn met het vestigen van onze eigen macht, alsof we een soort koloniaal bestuur zijn, zijn ronduit potsierlijk. Ludicrous!'

De Mello zegt deze agenda vastgesteld te hebben in overleg met Gusmao. Dat is voluit Kay Rala José Alexandre 'Xanana' Gusmao, de president van de Nationale Verzetsraad, die vorig jaar oktober na acht jaar in Indonesische gevangenschap is vrijgelaten.

De Mello geeft toe dat het besturen gaat met vallen en opstaan. 'We moeten veel improviseren.' Bij de deur vertelt hij dat zijn zoon hem in een e-mail schreef dat het wel leek of zijn vader bezig was met SIM City, een computerspel waarbij je zelf steden kunt ontwikkelen. De Mello: 'Dit ís ook SIM City, maar dan wel real-life.'

Rondhangende jongeren zoeken ruzie

Hoe realistisch De Mello's SIM City is, blijkt vrijwel dagelijks als honderden mensen zich bij het VN-paleis verzamelen in de hoop op een baan. Van ver buiten Dili komen mensen af op geruchten dat er werk zou zijn. Maar de meeste werkzoekenden voldoen niet aan de eerste gestelde eis: kennis van de Engelse taal.

Regelmatig zijn er relletjes tussen geïrriteerde Oost-Timorezen en militairen van de vredestroepen. In een aantal gevallen hebben de militairen de menigte met salvo's in de lucht uiteengejaagd. Precies zoals de Indonesische soldaten aan de andere kant van de grens gewoon zijn te doen.

Het bewaren van openbare orde en veiligheid is nu een van de belangrijkste problemen van het tijdelijke VN-bestuur. Groepen jongeren zwerven verveeld rond door de stad op zoek naar spanning. En die vinden ze bijvoorbeeld bij Hotel Dili waar ik logeer. Het ligt pal aan de kustboulevard, naast het kantoor van de Nationale Verzetsraad.

Hotel Dili huisvest een bonte verzameling van VN-medewerkers, mensen van hulp organisaties en zakenlieden van allerlei slag. In de kamer naast mij woont bijvoorbeeld een Portugees met een gekamd puntbaardje en een gouden brilmontuur, die zich voorstelt als een gepensioneerd kolonel van het Portugese leger in Macao, de Portugese kolonie die onlangs is overgedragen aan de Volksrepubliek China. Hij beweert een zakenman uit Macao te vertegenwoordigen. Nee, nee, hij kan niet zeggen wie dat is. 'Die naam mag ik alleen onthullen aan Xanana Gusmao.' VN-medewerkers hadden al gezegd dat de twee voormalige Portugese koloniale bezittingen in dit deel van de wereld oude banden met elkaar onderhouden. En dat 'zakenlui' uit Macao, na de Chinese machtsovername, mogelijk op zoek zijn naar andere plekken om bijvoorbeeld casino's te beginnen.

Andere hotelgasten zeggen om meer ideële redenen naar Oost-Timor te zijn gekomen. Zo zit ik vanavond aan een tafeltje met Titus en Kenny, twee vissers van Thursday Island, voor de kust van de Australische staat Queensland. Zij willen hun 'vaardigheden overdragen aan de lokale bevolking', zegt Titus. 'We doen het niet echt voor het geld, we verdienen genoeg, maar het is natuurlijk wel leuk als we een beetje betaald worden', zegt Kenny vanachter zijn glas cider.

Zoals iedere avond is het ook nu weer druk op het hotelterras, dat eigenlijk bestaat uit een paar plakkaten rafelig cement. Aan een geïmproviseerde bar midden op het terrein hangen een paar Australische bouwvakkers, herkenbaar aan de korte broeken, zware schoenen, blote schouders en diepgefrituurde huid. Net als de afgelopen dagen duikt er uit de met krekelgeluiden gevulde tropische duisternis een groepje jongens op van een jaar of zeventien, achttien. Ze lopen traag en schijnbaar doelloos naar de bar, waar ze het lokale personeel tevergeefs om gratis bier en chips vragen.

De leider draagt een honkbalpetje op zijn lange krulhaar. Hij zet zijn schouders breed op onder zijn bonte trainingsjack: een mini-uitvoering van de naar Indonesië uitgeweken Aitarak-commandant Eurico Guterres, die voor de jongeren kennelijk functioneert als rolmodel. Als Gino, de eigenaar van het hotel, onverhoeds een foto van de imitatie-Eurico maakt, slaat het mokken om in woede. 'Nou heb ik je foto. Als je ook maar iets doet, ga je de bak in', zegt Gino. 'Fuck you!' krijst de knaap met overslaande stem. Zijn vrienden beginnen met plastic stoeltjes te smijten, en twee houden hun aanvoerder zogenaamd in bedwang terwijl deze doet of hij Gino bijna aanvliegt. 'Fuck you!' schreeuwt de kleine Eurico weer. 'Raak me niet aan!' zegt Gino met onvaste stem. Maar dat durven deze jongens helemaal niet. Uit frustratie gooit een van hen ten slotte een reuzenzeeschelp door een van de glazen koelvitrines van de bar. En weg zijn ze. 'Ik hoop niet dat dát de koelkast met het bier was', zegt een van de Australische vissers.

Het voorval zorgt voor drie uur consternatie bij alle organisaties die zich bezig blijken te houden met de handhaving van de openbare orde. Eerst arriveert - in burger - de ondercommandant van de vredestroepen, met enige lijfwachten. Vervolgens doemen vier gecamoufleerde schaduwen op. 'Falintil', fluistert men aan de tafeltjes. Guerrilla's dus van het befaamde Oost-Timorese verzetsleger, die de wacht houden bij het kantoor van de Nationale Verzets raad. Dan arriveert een witte vrachtwagen vol blauwe baretten. En na een uur verschijnt uiteindelijk ook civpol, de politie van de VN die nog steeds zwaar onderbemand is. Vanaf dat moment patrouilleren vredestroepen, guerrilla's en politiemensen regelmatig voor het hotel. Wat de jongens van 'Eurico' er niet van weerhoudt om tussendoor ook langzaam en dreigend op motorfietsen langs te knetteren. Op de vraag hoe de veiligheid in zijn hotel eigenlijk geregeld is, zegt Gino: 'Als u zich onveilig voelt, hebben we voor onze gasten op het kantoor machetes liggen.'

Veel lijken zijn opgegeten door varkens

Voor ons liggen een paar stapeltjes zwart-grijze botresten op grote vellen papier met daarop het nummer 158. 'Dit representeert één mens', zegt de Canadese patholoog-anatoom Bob Staire, 'Zo zien de meeste overblijfselen eruit die we aantreffen.' Staire leidt het zeven personen tellende forensisch team van de VN. En dit ene voormalige klaslokaal in de buurt van het vliegveld van Dili is het mortuarium waar wordt onderzocht wat de doodsoorzaak is van de vele mensen wier lichamen nog steeds op verschillende plaatsen in Oost-Timor worden aangetroffen. 'Het is nogal basaal', zegt Staire met een blik op het rijtje zelfgebouwde schragentafels onder laaghangende tl-balken, 'maar het werkt.'

Er hangt hier een penetrante, schroeierige geur. 'Ontbinding, maar de lucht valt vandaag nog mee', zegt de patholoog-anatoom en wijst op twee zwarte body-bags op de tafels. Die worden niet geopend. 'Te gruwelijk.' Buiten, in een diepvries-container, liggen de stoffelijke overschotten van nog eens twaalf mensen.

De resten van slachtoffer 158 zijn door het team teruggevonden in een stapel verbrande autobanden in het oostelijk gelegen plaatsje Los Palos. 'We behandelen dit als een onopgeloste moordzaak. Het gaat hier om een man die waarschijnlijk door een klap met een machete om het leven is gebracht', zegt Staire. En hij toont een fragment van het heupbeen, dat bij mannen anders van vorm is dan bij vrouwen, en een gekliefde scherf van de schedel. 'We komen erg veel wonden tegen die veroorzaakt zijn door stompe voorwerpen en knuppels. Ook kogelwonden, maar het meest toch steekwonden, vooral aan handen en onderarmen. Dat duidt erop dat slachtoffers zich probeerden te beschermen tegen hun aanvallers.' En hij imiteert met zijn armen in de lucht een afwerend gebaar.

Het aantal geregistreerde dodelijke slachtoffers van het militiegeweld ligt officieel rond de tweehonderd, maar Staire denkt dat het werkelijke aantal veel hoger is. 'Ik ga uit van honderden mensen. Precies zullen we het nooit weten. Maar steeds als wij een melding krijgen dat er ergens een lichaam ligt, blijken het er bij nader onderzoek meer te zijn. Forensisch onderzoek is de afgelopen maanden bemoeilijkt door de regentijd, maar nu moet er snel gehandeld worden.' Het grootschalige forensisch onderzoek moet eigenlijk nog op gang komen. 'Maar veel stoffelijke resten zijn waarschijnlijk al geheel verdwenen door het extreme klimaat en de vraatzucht van honden, varkens en wilde dieren.'

De forensische rapporten van Staire en zijn team moeten bijdragen tot het bewijs voor de berechting van de aanstichters van het geweld en de verdachten van geweld daden. Maar de vooruitzichten voor een spoedige rechtsgang zijn niet erg bemoedigend. Het voormalige bureau voor toerisme in Dili dient nu als provisorische gevangenis voor een handjevol voormalige militieleden. De rechterlijke macht is in Oost-Timor nog in oprichting. In Jakarta is de instelling van een speciaal mensenrechtentribunaal vastgelopen in een rituele dans. En het dreigement van de VN dat er een internationaal tribunaal komt als de Indonesische rechtsgang faalt, verbleekt met het verstrijken van de tijd.

Een president als oorlogsbuit

De dreigende straffeloosheid is een tijdbom onder de toekomst van zijn land, vindt Francisco Xavier do Amaral. 'Een lont in een fles benzine', zegt hij. Do Amaral was de eerste president van het revolutionair bevrijdingsfront Fretilin. Nu is hij 63. In zijn witte overhemd met das zit hij achter een kleine tafel midden in een grote kamer op de eerste verdieping van een van de weinige huizen in het centrum van Dili die nog overeind staan. Vier gedienstige adjudanten, ook al niet meer zo piepjong, herinneren aan de oude waardigheid van Do Amaral, die een leven achter de rug heeft dat klinkt als een absurdistische roman. Na de Indonesische invasie in 1975 leidde de leraar Latijn en Portugees de bevolking het oerwoud in. Twee jaar later werd hij door leden van het Centraal Comité van Fretilin beschuldigd van hoogverraad en gevangengenomen. Een jaar later werd hij, zoals hij zelf zegt, 'bevrijd' door de Indonesiërs. Een generaal nam hem als oorlogsbuit mee naar huis. Do Amaral klom op tot huisknecht van de generaal. Zijn twee zoons vonden de dood in het oerwoud van Oost-Timor, zijn vrouw heeft hij niet meer teruggezien. Ook niet nadat hij afgelopen februari terugkeerde naar Dili.

De donkere ogen van Do Amaral gloeien als hij spreekt over de getraumatiseerde bevolking. Hij weet waarover hij spreekt. 'Nummer één moet zijn dat recht wordt gedaan, dat verantwoording wordt afgelegd voor het verleden en dat aan de bevolking wordt uitgelegd dat verzoening noodzakelijk is voor de toekomst. Wij moeten dat niet onderschatten. Oost-Timorezen die verzoening willen, kunnen terugkeren. Dit is ook hun land.' Volgens Do Amaral weten de politici van de Nationale Verzetsraad die vaak na lange jaren uit het buitenland zijn teruggekeerd, niet wat er leeft onder de bevolking. En kent de bevolking hen ook onvoldoende. De Nationale Verzetsraad is zelf pas in 1998 tot stand gekomen. 'Mensen zijn in verwarring', zegt Do Amaral, 'Ons kenden zij, het Fretilin. Maar de Nationale Verzetsraad is een nieuwe partij die plotseling zegt dat zíj de oorlog heeft gewonnen. Ondertussen wordt er niet naar de frustraties van de gewone mensen geluisterd. Iedereen kent Xanana, maar hij neemt wereldvreemde besluiten. Zo heeft hij beslist dat de Oost-Timorezen Portugees moeten leren spreken. Maar voor de meeste jongeren is dat net zo vreemd als Chinees. Mensen uit de dorpen komen naar mij toe. Mensen willen recht, land, eten, werk, lagere prijzen en een eind aan de sociale onrust.' Do Amaral ontkent dat hij zelf politieke ambities heeft. 'Ik ben slechts een gepensioneerd lid van Fretilin. Maar ik geloof dat de ouderen de jongere generatie moeten opleiden. En dat hoop ik te doen, voordat ik voor de laatste maal mijn ogen sluit op deze wereld.' Later in de week ga ik, onaangekondigd, nog eens langs bij de oude president. In de hitte van de namiddag zit hij in zijn eentje in zijn hemd achter zijn kleine tafel. En speelt patience.

Gezinshereniging aan de grens

Het is gezinsherenigingsdag. Rita, een achttienjarige bollewangenhapsnoet uit Dili, dendert in een vrachtwagen vol verwachtingsvolle familieleden naar Batugade, aan de grens met West-Timor. Wekelijks keren honderden mensen terug naar hun voormalige woonplaatsen in Oost-Timor. Maar nog altijd verblijven naar schatting honderdduizend voormalige Oost-Timorezen in West-Timor. Voor een groot deel zijn het mensen die tegen hun wil gedeporteerd zijn, maar die niet terug kunnen omdat milities hen nog altijd in bedwang houden, of niet durven omdat er geruchten worden verspreid over de gevaren in Oost-Timor. Naar schatting zo'n veertigduizend mensen durven niet terug, omdat zij met de Indonesiërs hebben samengewerkt, als ambtenaar, als militair of als lid van een van de milities. Het gevolg is dat veel families zijn opgesplitst tussen de twee delen van het eiland. Tussen goed en fout.

Maar vanaf februari begonnen duizenden leden van uiteengereten families elkaar 's zaterdags aan de grens tussen West- en Oost-Timor op te zoeken. Inmiddels zijn die reunies streng gereglementeerd door de autoriteiten, omdat het aan de grens telkens weer tot ongeregeld heden kwam.

Na ruim drie uur gehobbel, gebonk en misselijkmakend bochtenwerk langs een adembenemend azuren zee, langs geschonden dorpen en stadjes, en langs steeds meer pantserwagens en militaire stellingen van vredestroepen, komt de vrachtwagen aan in een drie kilometer brede strook niemandsland tussen Oost- en West-Timor. Daar blijken al honderden mensen te voet onderweg naar de grens.

Dat het hier niet om een massale picknick gaat, onderstrepen speciale politie-eenheden uit Portugal in zwarte overalls. Zij controleren alle bezoekers twee keer met metaal detectoren, voordat zij tot de plaats van hereniging worden toegelaten. Dat is een met duizenden mensen gevulde glibberige koeienwei aan zee onder lage bomen. Aan het strand staat een pantserwagen van de Australiërs die uitkijkt op de Indonesische zijde aan de overkant van de baai. In de lucht hangt een helikopter.

Rita's vader is een kleine vrachtwagenchauffeur uit Toraja-land, in midden Sulawesi. Ontroerd sluit hij zijn dochter, zoons, schoonzoon en kleinkind in zijn armen. Nadat de familie onder de bomen beschutting heeft gezocht tegen de zon, vertelt Rita dat haar moeder een Oost-Timorese is. Zij is vandaag in Dili gebleven. Haar vader glimlacht: 'Ik hoop dat ze allemaal snel naar mij toe komen, dan kunnen we terugkeren naar Sulawesi.' Maar Rita wil daar niet van weten. 'Wij zijn Timorezen. Hij moet terugkeren naar Dili.'

Haar broers en zwager kijken inmiddels ongerust rond. Het is beter dat ik nu maar ga, zeggen ze voorzichtig. 'De andere mensen beginnen naar ons te kijken. Straks denken ze dat hier militieleden zitten en nemen ze ons te pakken.'

Oost-Timor wordt verscheurd door de haat tegen de leden van milities. Dat blijkt ook als de vrachtwagen 's middags terugrijdt naar de stad. Mensen langs de route houden onze truck voor weer een lading terugkerende vluchtelingen. En vluchtelingen die nu, na zes maanden, nog terug keren, daar zit een luchtje aan, vinden de meeste Timorezen. Dus wordt er overal langs de weg gescholden en gejoeld. 'Vuile vluchtelingen!' Als we Dili binnenrijden, bestormt een bende jongeren de vracht wagen. Een steen landt op het dak.

De passagiers schreeuwen: 'We komen uit Dili, idioten!' M

Dean Sewell maakte eerder, in juni 1999, een fotoreportage in Oost-Timor, die onlangs is bekroond door World Press Photo. Nog t/m 28 mei te zien in de Oude Kerk, Amsterdam.

    • Frank Vermeulen