Klassieke relnichten

De jongensliefde in de Griekse oudheid zou een keurige initiatierite zijn. Onzin, zegt classicus Charles Hupperts.

Tot in de vorige eeuw hebben classici, archeologen en oud-historici de Oude Grieken geïdealiseerd. Zij waren de grondleggers van de democratie, de beelden van het Parthenon vormden het hoogtepunt van beeldhouwkunst en Homerus was het begin en het einde van de literatuur. De geleerden zaten met slechts één ding een beetje in hun maag: in de Griekse literatuur werd vrij open over homoseksualiteit gesproken en op vazen kwamen nogal eens blote jongens voor. Geen nood, ook dit aspect van de Griekse cultuur was te idealiseren. Homoseksualiteit hoorde bij een aristocratische leefwijze en had een pedadogisch doel, het inwijden in de wereld van de volwassenen. Het ging strikt om de mannenliefde tussen een volwassene en een jongeling. En die jongen beleefde er geen seksueel genot aan.

In de loop der tijd is de verheerlijking van al wat Grieks was voldoende gerelativeerd, behalve de Griekse homoseksualiteit. Die is nog steeds omgeven met een zweem van verhevenheid en idealisme. Ten onrechte, zegt graecus Charles Hupperts, vakdidacticus aan de Universiteit van Amsterdam en leraar klassieke talen. In zijn proefschrift Eros Dikaios (Juiste Liefde) haalt hij het heilige huisje omver. Niks geen aristocratische leefwijze, niks geen pedagogisch verantwoorde initiatieriten, nee, in het Athene van de zesde en vijfde eeuw voor Christus bestond een heuse homoscène inclusief (rel)nichten, waar het ruig aan toe kon gaan en waar jongens wel degelijk van seks met oudere mannen en leeftijdgenoten genoten.

Het misverstand over de Griekse homoseksualiteit is volgens Hupperts ontstaan door een verkeerde interpretatie van bronnen als de redevoering Tegen Timarchos van Aischines uit 345 voor Christus. De politicus Timarchos had hem beschuldigd van landverraad en de enige verdediging die Aischines had was de tegenaanval. Hij klaagde Timarchos aan wegens prostitutie, wat aan Atheense burgers in de politiek verboden was. Maar Aischines zat met het probleem dat hij algemeen bekend stond als pederast. Hij moest dus Timarchos' voorkeur voor mannen afschilderen als iets verderfelijks en zijn eigen liefde voor jongens als eros dikaios, juiste liefde. De Engelse geleerde Dover heeft in zijn standaardwerk Greek Homosexuality uit 1978 Aischines' voorstelling van wat eros dikaios inhield gewoon overgenomen, zegt Hupperts. ``Hij heeft niet beseft dat het om een hard, politiek proces ging en daarom ten onrechte het geïdealiseerde beeld als uitgangspunt genomen voor zijn beschouwing van afbeeldingen op vazen uit vroegere eeuwen.''

Nog een bron die volgens Hupperts verkeerd is begrepen: het Symposium van Plato, waarin in verheven termen over eros voor jongens wordt gesproken. Ook deze a-seksuele omgang met homoseksualiteit is algemeen als de gangbare praktijk geïnterpreteerd, maar uit Hupperts onderzoek blijkt juist dat Plato met zijn onthechting en afzien van `consumptie' van zijn liefde voor jongens in de vierde eeuw voor Christus een uitzondering was. ``Hij geeft in het Symposium, dat volgens mij een analyse van de homoseksuele liefde is, indirect zijn leermeester Sokrates een veeg uit de pan door iemand anders te laten zeggen dat Sokrates nooit het hoogste zal bereiken, omdat hij zich te veel met jongens inlaat.''

Hupperts komt tot zijn conclusies na bestudering van verschillende gelijktijdige bronnen, te beginnen met de literatuur en vazen uit de zesde eeuw. Bij lyrische dichters als Theognis, Anakreon en Pindarus staan in hun gedichten over de liefde voor jongens erotiek, seksualiteit en vriendschap centraal. Een voorbeeld: ``Jongen, je bent zonder meer een paard; nu je van gerst bent verzadigd, ben je weer teruggekeerd naar onze stal, vol verlangen een goede berijder te vinden, een prachtige weide, een koele bron en bossen vol schaduw.'' (Theognis II, 1249-1252, vert. Hupperts)

ZICH VERZADIGEN

Hupperts analyseert het epigram als volgt: kriqh (gerst) betekent bij Aristophanes ook phallus en in combinatie met korennumai (zich verzadigen, zich vullen met voedsel of drank) is maar één conclusie mogelijk: Theognis spreekt hier in bedekte termen over anale penetratie. Over pedagogische giften, inwijdingen en moraal geen woord. Bij 268 zwartfigurige vazen uit dezelfde periode komt hetzelfde beeld naar voren. Naast de vazen waarop een oudere man een jongen onder zijn hoede lijkt te nemen zijn minstens net zoveel vazen met verleidingsscènes, mannen die zonder gêne zowel bij leeftijdgenoten als jongens naar penissen en billen grijpen, mannen met erectie die jongens achterna zitten, kontneukende bebaarde mannen en orgastische feesten met promiscue jongens en mannen. De vijfde-eeuwse roodfigurige vazen geven een zelfde beeld. Op 360 vazen ontdekte Hupperts 659 homo-erotische scènes. Met dit verschil dat het allemaal minder expliciet is. De geliefden zijn vaak nog half gekleed en tonen zelden een erectie. De scènes hebben wel vaker een plaatsbepaling. Het gymnasium, de palaistra en de bosschages zijn geliefde plekken voor verleidingsscènes, ook tussen jongens van gelijke leeftijd.

Hupperts presenteerde in 1987 een eerste aanzet van zijn theorie tijdens een archeologencongres in Kopenhagen. Hij hoopte dat anderen hierna met het onderzoek verder zouden gaan. Dat bleek niet het geval en daarom heeft hij het onderwerp maar zelf verder uitgediept. Het resultaat van één sabbatical jaar en vijf jaar geen vakantie vieren is een proefschrift van ruim 850 pagina's in drie delen: deel 1 is gewijd aan de literatuur en vazen, deel 2 aan Plato's Symposium en deel 3 is gevuld met afbeeldingen van vazen.

De talloze literatuurverwijzingen en besprekingen van vazen staan nu zo keurig bij elkaar dat je bijna zou vergeten dat het achterhalen ervan het werk van Hupperts is geweest. In Oxford vond hij bijvoorbeeld in het archief van de Engelse geleerde Beazley, de grondlegger van de moderne Griekse vazenstudies, de afbeelding van een veelzeggende scherf. Een volwassen man pakt het scrotum van een jongen, die te herkennen is aan de kleinere penis. Diens onmiskenbare erectie maakt duidelijk dat het genot niet van één kant kwam. Voor literatuurverwijzingen heeft Hupperts veel gehad aan een vroeg negentiende-eeuws boek over geslachtsziekten, Die Lustseuche in Altertum van J. Rosenbaum. Daarin wordt onder andere verteld dat skulax, dat letterlijk hond betekent, ook een seksueel standje aangeeft. ``Wie dat weet houdt rekening met een voor Griekse homoseksuelen dubbelzinnige betekenis van de hond die op een vaas uit Basel naar het scrotum van een jonge man kijkt.''

De erotische betekenis van de vazen en literatuur is soms zo duidelijk dat de vraag rijst waarom andere geleerden het niet eerder hebben gezien. Zijn ze ziende blind geweest? Hupperts beschermt eerst zijn collega's, met name Dover. ``Hij heeft niet al het materiaal gekend.'' Maar hij geeft ook toe dat het onderwerp voor de geleerden gevoelig lag. Beazley gaf in 1947 van de schilder die bekend staat onder de naam Affecter één vaas en vroeg zich daarbij af of de scène wel te maken had met hofmakerij. Hupperts heeft van dezelfde schilder met gemak ruim tachtig homo-erotische schilderingen gevonden.

Vanwege de gevoeligheid rondom het onderwerp heeft Hupperts zijn bevindingen met opzet zo zakelijk mogelijk opgeschreven. Hij neemt daartoe de verhullende termen a-, b- en g-houding van Beazley over om te beschrijven dat een man respectievelijk iemand naar zijn scrotum grijpt, iemand een geschenk geeft of iemand `intercruraal penetreert', zoals hij het netjes omschrijft. ``Ik ben niet uit op een leuk artikel in de Gaykrant, ik richt me op de vakdiscussies. Ik wil dat classici, oudhistorici en archeologen mijn werk niet zo maar opzij kunnen schuiven.''

Hij merkt dat inmiddels oudhistorici alsnog zijn bijdrage aan het congres in Kopenhagen instemmend beginnen te citeren. Archeologen vinden soms nog dat hij met zijn interpretaties te ver gaat. Dat bleek ook bij zijn promotie. ``Een professor haalde het voorbeeld aan van een zwartfigurige vaas met drie dansende naakte mannen. Maar ik had die vaas juist als voorbeeld gegeven om aan te tonen dat je met je interpretaties voorzichtig moet zijn. Aan de andere kant, als een van de drie een vrouw was geweest, zou niemand hebben geaarzeld om de dans erotisch te noemen.''