Het bruikbare verleden

Ze trekken wekelijks op televisie voorbij. Historici die een moreel oordeel vellen over de Tweede Wereldoorlog, het koloniale verleden of het koningshuis. En hun opvatting telt in de huidige claimcultuur. `Moet het tot herstelbetalingen komen?'

Als vroeger Nederland tegen Duitsland voetbalde, zat er altijd wel iemand op de tribune met het spandoek: `Ik wil mijn fiets terug'. Maar zo goedkoop komen de Duitsers er niet meer van af. Ze hebben in de oorlog veel méér gepikt. Het is nagerekend. En we willen alles terug.

Het verleden kruipt dichterbij. Het is bon ton om te zeggen dat Nederlanders geen historisch besef hebben. Goed, er zullen altijd mensen blijven die denken dat Willem de Zwijger bij Dokkum werd vermoord en dat De Grote Karels achternaam was – dat bleek drie jaar geleden weer bij een enquête onder prominente Nederlanders. Maar in feite heeft Nederland anno 2000 een preoccupatie met het (recente) verleden die zijn weerga niet kent. De historische onderzoeken, de excuses voor oud leed en de Wiedergutmachungen vliegen ons om de oren.

De pershistoricus in het jaar 2100 zal de kranten van nu met verbazing opslaan: hadden ze niks nieuwers om over te schrijven dan vijftig jaar oude schadeclaims of wat de koninklijke schoonfamilie een kwart eeuw eerder uitspookte?

Misschien zal hij over het breukvlak van onze eeuwen schrijven zoals Friedrich Nietzsche dat ruim een eeuw geleden deed in zijn Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben: ,,Er is een mate van herkauwen'', schreef hij, ,,van historisch besef, waardoor het leven geschaad wordt en ten slotte te gronde gaat.'' Er is een grens, stelde Nietzsche, ,,van waaraf het verleden vergeten moet worden, wil het niet tot doodgraver van het heden worden''.

De historici van nu zijn het daar ongetwijfeld niet mee eens. Zij bloeien juist weer helemaal op onder de aandacht. In het Historisch Nieuwsblad van deze maand schreef de historicus en publicist Bastiaan Bommeljé nog bozig dat zich onder de Grote Denkers die worden geïnterviewd in het tv-programma Van de schoonheid en de troost, slechts één historicus bevindt. Eigen schuld, vond Bommeljé: ,,Door een veilig heenkomen te zoeken in specialisatie hebben historici hun plaats in de intellectuele arena opgegeven.''

Hoe blind kun je zijn? Er is geen praatprogramma meer, of een historicus mag er zijn licht laten schijnen over de betekenis van de monarchie; geen opiniepagina, of een historicus mag er de eisen stellen die uit zijn eigen onderzoek voortvloeien. Vrijwel elk historisch onderzoek naar een van de drie gevoelige onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis – Tweede Wereldoorlog, het koloniale verleden, het koningshuis – haalt de krant, haalt NOVA en haalt soms zelfs het Journaal.

Historische onderzoekers vinden niet alleen een gewilliger oor bij de media (en bij het publiek), ze zijn zelf ook een stuk assertiever geworden als het gaat om het zoeken van de schijnwerpers. De historicus is niet langer de mol met oogkleppen die onderzoek doet naar de geschiedenis van de Alkmaarse kaasmarkt in de zeventiende eeuw. Hij is een opiniebepaler, die zijn onderzoek een actuele draai geeft en dat het liefst, zoals dat heet, op de politieke agenda plaatst. In een tijd dat de universiteit zichzelf moet bedruipen, worden publicitaire uithangborden steeds belangrijker. Gezegend de instituten die Ruud Lubbers of Roel Pieper aan zich weten te binden. Ook de historicus moet zijn eigen publiek veroveren en de media zijn daar uitgelezen podia voor.

Mooiste voorbeeld van de assertieve historicus de afgelopen tijd, was emeritus hoogleraar H.W. von der Dunk, die vorige maand in het tv-programma Buitenhof opriep tot een historisch onderzoek naar de gedragingen van vader Zorreguieta tijdens het bewind van de Argentijnse junta. Zijn wens is inmiddels in politiek Den Haag als een bevel opgevat.

De historicus als betweter. Dat is een vertrouwd personage in Nederland. Ons laatste politieke proces is immers ook door een historicus gevoerd. Prof. dr. L. de Jong, de toenmalige directeur van het toenmalige Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (dat nu NIOD heet), veroordeelde in een rechtstreekse televisie-uitzending Willem Aantjes tot de politieke dood: de fractievoorzitter van het CDA had zich in de Tweede Wereldoorlog vrijwillig aangemeld bij de Germaanse SS.

De kwestie-Aantjes is een uniek geval gebleven, waarin politiek opportunisme zich met historische hoogdravendheid verbond. Maar de morele aanspraken van De Jong – die het schema van `goed en fout in de oorlog' voor decennia in de samenleving verankerde – zijn nooit helemaal verdwenen uit de historische discipline. En ze lijken nu weer sterker te klinken dan een jaar of tien en zelfs vijf geleden. Ze hebben dan ook een belangrijke functie in de verkoop van historische waren.

Twintig jaar geleden was geschiedenis pas leuk als ze exotisch was. Montaillou was daarvan het schoolvoorbeeld, de gedetailleerde beschrijving van een Frans dorpje in de middeleeuwen. Die middeleeuwers! Het waren net mensen. Het twintigste-eeuwse publiek verslond ze.

Tegenwoordig is geschiedenis pas leuk als het over onszelf gaat. Het is niet voor niets dat de bezoekersroute in het Amsterdamse Verzetsmuseum (gewijd aan Nederland tijdens de Duitse bezetting) eindigt met tv-beelden van hedendaagse antiracisme-demonstraties. Alsof je de verzetsstrijders van '40-'45 pas kunt waarderen als je denkt dat het proto-multiculturalisten waren.

In een lezing, vorige maand bij het jubilerend Frysk genootschap, kwam de historicus prof. F. van Vree met een soortgelijke redenering. Hij probeerde er de overweldigende mediabelangstelling voor de Tweede Wereldoorlog te verklaren. Volgens hem komt het doordat de oorlog als een spiegel wordt voorgehouden aan de multiculturele samenleving van nu. Een soort `zie je nou wat er van komt?' Het is een redenering die ten grondslag ligt aan veel toespraken die deze meidagen worden afgestoken.

Als het geschiedverhaal niet letterlijk over onszelf gaat, fungeert de moraal dus als viaduct. Wat doet de historicus G. Meershoek, die de handelwijze van de Amsterdamse politie tijdens de bezettingsjaren heeft onderzocht? Hij presenteert het eerste exemplaar van zijn boek aan de huidige hoofdcommissaris, die vervolgens excuus moet maken voor iets waar hij en zijn `dienders' part noch deel aan hebben.

Een dergelijke, direct bruikbare, morele lading zit vooral in de eerder genoemde gevoelige onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis: Tweede Wereldoorlog, koloniaal verleden en koningshuis.

Von der Dunk is helemaal niet geïnteresseerd in de Argentijnse geschiedenis – en als híj het wel geweest was, dan had het bij Buitenhof niemand kunnen schelen. Het onderzoek dat hij bepleit gaat over ons koningshuis. ,,Als Jorge Zorreguieta zelf schuldig is aan de misdaden die onder het regime van Videla zijn begaan, kan hij hier toch niet op het bordes staan'', zei Von der Dunk in deze krant. Het historisch onderzoek krijgt pas waarde door de betekenis die het in de actualiteit heeft.

De duidelijkste uiting daarvan is wat je misschien `bevrijdingsgeschiedenis' mag noemen, historisch onderzoek dat alsnog recht doet aan groepen die te lang over het hoofd zijn gezien. Er zijn vooral in de Verenigde Staten complete universiteiten opgericht om de vrouw of de zwarte historisch te herwaarderen. Dat heeft geleid tot serieuze rectificaties, maar ook tot hilarische studies waarin nagenoeg elke belangrijke uitvinding aan vrouwen wordt toegeschreven en waarin de Egyptische farao's negers waren. Maar ook de serieuzere studies zijn mede bedoeld om de ondergeschikte positie van achterstandsgroepen te verklaren en aan te klagen.

In Nederland is een echo van de Amerikaanse black history hoorbaar in het debat over een monument voor de slavenhandel. Nederlandse maatschappijen zijn tussen 1500 en 1850 actief geweest in de transatlantische slavenhandel. De creolen uit Suriname en de Antillen zijn de nakomelingen van deze uit Afrika afkomstige slaven. De laatste jaren klinkt, vooral vanuit de Surinaamse gemeenschap in Nederland, steeds luider de roep om de oprichting van een monument ter nagedachtenis van deze weggestopte episode in de Nederlandse geschiedenis.

Het is geen toeval dat minister Van Boxtel daar voorstander van is. Hij is niet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (waartoe je historisch onderzoek en monumenten toch zou rekenen), maar minister voor het grotestedenbeleid. Het slavenmonument kan een functie hebben in het dempen van eventuele onvrede onder Surinamers en Antillianen in de grote steden over hun huidige achterstandspositie in de Nederlandse samenleving.

Onlangs verscheen een boek van hoogleraar P.C. Emmer over de Nederlandse slavenhandel. Een uitermate degelijk onderzoek, zeker niet het werk van een bevrijdingshistoricus. Integendeel, Emmer relativeert de Nederlandse rol in de slavenhandel. Niet door te zeggen `het viel wel mee', maar door zorgvuldig te vergelijken en te analyseren. Het resultaat is niet dat de lezer denkt: het viel wel mee, het resultaat is dat de lezer een afgewogen beeld krijgt van de slavenhandel. Nederland heeft de slavenhandel niet uitgevonden, dat hebben Afrikanen zelf gedaan, en Nederland heeft in die 350 jaar vijf procent van de transatlantische handel voor zijn rekening genomen.

Maar de feiten en de analyse waren niet genoeg. Emmer vertelde in deze krant dat hij van zijn uitgever, de Arbeiderspers, erbij moest zeggen wat hij van de slavenhandel vond. En, zoals Emmer in deze krant zei: ,,Je moet wel idioot zijn om de slavernij goed te praten''. Die formulering achtte Emmer kennelijk te karig voor zijn boek. Hij gaat in zijn slothoofdstuk – getiteld `De moraal' – ineens als een bevrijdingshistoricus redeneren. Hoe schuldig is Nederland, vraagt hij zich af. Het blijkt al gauw dat hij bedoelt: hoeveel is Nederland schuldig? Moet het tot herstelbetalingen komen? Volstaat een gedenkteken? En als Emmer tot de slotsom komt dat in plaats van geld, Nederland publieke aandacht moet geven, hoor je zijn lezers haast zuchten van teleurstelling. Moraal is aardig, maar boter bij de vis graag. Er moet afgerekend worden. Letterlijk. ,,Het gaat niet om de hoogte van het bedrag'', schrijft Emmer, ,,maar om het feit dat zo'n regeling aandacht vraagt voor en erkenning inhoudt van het aangedane onrecht.''

In zijn formulering ligt een parallel met het grootscheepse medisch onderzoek dat is ingesteld onder mensen die zich slachtoffer voelen van de Bijlmerramp. Iedereen mag een buisje bloed, een bekertje urine en een vragenformulier inleveren en dan kijkt de dokter ernaar. Geen medicus die er resultaat van verwacht, maar het is dan ook door de regering in de eerste plaats bedoeld als `erkenning' van het slachtofferschap.

De morele functie die de historicus zichzelf toeëigent, zou nooit zoveel gewicht krijgen als ze niet verbonden was met een andere ontwikkeling uit dit tijdsgewricht: de claimcultuur. Dat de Duitsers fout waren, dat weten we nu wel, dat geven ze zelf ook bijna dagelijks toe, maar wat krijgen we nog van ze? Die afgepakte fiets is allang vergaan, maar er is altijd een boekwaarde vast te stellen.

De slachtoffers van de geschiedenis – en dan praten we even niet over de zwarten en de vrouwen an sich, maar over de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en het koloniale verleden – verbinden pas sinds relatief korte tijd consequenties aan hun status. Zo zijn (organisaties van) ex-dwangarbeiders gaan onderhandelen met Duitse bedrijven die hen in de oorlog tewerkstelden. Zo zijn erfgenamen van omgekomen joden in procedures verwikkeld met verzekeringsmaatschappijen die nooit levensverzekeringen hebben uitgekeerd. En zo is het Indisch Platform, vertegenwoordiger van Nederlanders uit het voormalige Nederlands-Indië, in onderhandeling met de Nederlandse regering over een vergoeding voor `de kille en koude ontvangst' bij hun terugkeer.

In de eisen van de slachtoffers zit een ontwikkeling die zo ongeveer omgekeerd evenredig is aan het rijtje van Emmer: eerst wilden ze `erkenning' van hun slachtofferschap, toen excuses voor het doorstane leed, nu willen ze de exacte tegenwaarde van die excuses op hun bankrekening gestort zien. Het Indisch Platform zegt het zo: `Geld zonder excuses is een belediging, excuses zonder geld hypocriet.'

De geschiedenis heeft een actualiteitswaarde gekregen die ze vroeger niet had. Een echte waarde die in geld valt uit te drukken. En de historicus heeft hier een rol te vervullen. Zoals prof. De Jong destijds tegelijkertijd openbare aanklager en rechter was, zo is de tegenwoordige historicus tegelijkertijd zedenmeester en rekenmeester.

Het beste voorbeeld hiervan is Gerard Aalders, als onderzoeker verbonden aan het NIOD. Zoals de accountants van KPMG de boeken van de gemeente Rotterdam doorlichtten, zo spit Aalders de boeken van Nederland in en om de bezettingsjaren door. In zijn publicatie Roof bijvoorbeeld, vorig jaar verschenen, schat hij dat de Nederlandse banken in de oorlog 300 miljoen gulden (naar de huidige maatstaven) hebben verdiend aan de handel in van joden geroofde effecten. Dat onderzoek is de basis voor de onderhandelingen die vertegenwoordigers van joodse organisaties nu voeren met de Vereniging van Effectenbezitters. En het is de reden dat deze vertegenwoordigers een aanbod van acht miljoen gulden als een schijntje van de hand wezen.

Met zijn onderzoekingen is Aalders erin geslaagd het geschiedbeeld van de Tweede Wereldoorlog nogmaals te laten kantelen. We wisten allang dat `we' destijds niet de helden waren van het monument op de Dam. We waren er allang aan gewend geraakt dat Nederland tussen '40 en '45 bestond uit slappelingen die de andere kant opkeken toen de joden werden weggevoerd. Aalders heeft bij een breed publiek het beeld gevestigd van actieve profiteurs van oorlogsellende en onverschillige bureaucraten. Tien jaar geleden voerde Nederland nog een discussie over het toelaten van Duitsers tot de 4-mei-herdenking, nu onderhandelt de regering over een schadevergoeding aan de joodse gemeenschap.

De inspanningen van Aalders en andere historici op dit gebied zijn belangrijk. Het zijn wezenlijke bijdragen aan de discussie zonder einde die geschiedenis heet te zijn. Maar juist het wezen van de geschiedenis als een oneindig bij te stellen beeld verhoudt zich slecht tot de accountants-aanpak die nu op het verleden wordt losgelaten. Hoe kan dat ongrijpbare verleden ooit de exacte bedragen opleveren die nu worden opgeëist? En in hoeverre moet de historicus instrument zijn in de discussie die zich daarover in de politiek afspeelt – waar ze hoort. Dit zijn dilemma's waar alleen premier Kok uit komt. Was uw oorlogsleed groot genoeg voor een welgemeend excuus of moet u het doen met `dit verdient niet de schoonheidsprijs'?

In alweer het Historisch Nieuwsblad van deze maand geeft prof. F. Ankersmit de historicus deze functie: ,,Eerst door het [verleden] volledig te doorgronden kunnen we onszelf ervan bevrijden. Pas dan kunnen we ons ermee `verzoenen'.'' Zou dat zo zijn? En zou die verzoening pas volledig mogelijk zijn als ervoor betaald is? Zou er, als Nederland straks in de finale tegen Duitsland aantreedt, in de Rotterdamse kuip een vak zijn vrijgehouden voor de ex-dwangarbeiders en hun spandoeken `Bedankt voor de ƒ7.457,15'?

De historicus A.Th. van Deursen schreef vorige week in de Volkskrant, in een recensie over het slavenboek van Emmer: ,,Geschiedenis gaat niet over onszelf, ze gaat over andere mensen. Die moeten dan ook de maatstaf zijn. Hun moeten wij recht doen.'' Dat recht van Van Deursen heeft niets te maken met het `wat gaat het ons kosten'-recht dat Emmer er in zijn boek van maakt. Van Deursen verwijst naar het ouderwetse streven de geschiedenis te begrijpen, wie es gewesen, ook als die ver, ver van ons verwijderd is. En als degene die er kennis van neemt daar nog iets van leert voor zijn eigen leven, dan is dat meegenomen. Dan is dat gratis.

De historicus als betweter

is een vertrouwd personage in Nederland. Denk aan prof. Lou de Jong

Zoals KPMG de gemeente Rotterdam doorlichtte,

zo spit historicus Aalders

de bezettingsjaren door

    • Bas Blokker