Gevaarlijk jaar

Ik zat in de stoptrein van Rotterdam naar Amsterdam (dat dacht ik tenminste), nog in zalige onwetendheid hoe de fraaie partij die ik voor de clubcompetitie had gewonnen een paar dagen later op de website van de KNSB met bijna misdadige onwetendheid miskend zou worden, en de Israelische meester Yochanan Afek, die als toeschouwer naar Rotterdam was gekomen, gaf me raadseltjes op.

,,Laatst zei ik tegen Arthur Joesoepov dat ik vijf grootmeesters kende die Arthur heten...'' Het was natuurlijk de bedoeling dat ik die op zou noemen, maar dat kon ik niet. Of misschien was dat wel de bedoeling.

,,Er zijn al vijf grootmeesters gestorven dit jaar.'' Dat moest ik weten, vond ik. Prins, Koltanowski, Yanofsky, Gipslis. Ik was Alexei Vyzmanavin alweer vergeten, hoewel zijn vroege dood, hij was pas veertig, schokkend was geweest.

,,Het jaar 2000 is een gevaarlijk jaar voor grootmeesters'', zei Afek. Vervolgens hadden we het over Jacques Mieses (1865-1954), die op het feest op zijn tachtigste verjaardag had gezegd dat hij, nu hij de gevaarlijke periode tussen zeventig en tachtig waarin zo velen heengingen, veilig had doorstaan, misschien wel eeuwig zou leven.

We merkten niet dat de trein in Woerden weer was omgekeerd, richting Rotterdam.

,,Gouda, zijn we daar al niet geweest?'' vroeg Afek voorzichtig. Hij had me al twee keer de loef afgestoken, nu dacht hij ook nog dat hij de Hollandse geografie beter kende dan ik. ,,Nee hoor, dat kan niet'', zei ik ferm, en zo werd het een lange reis waarop nog veel schaakwetenswaardigheden werden uitgewisseld.

Als ik bijgelovig was zou ik tekenen zien in dat gesprek, want diezelfde dag, op 30 april, werd bekend gemaakt dat er weer een grootmeester was gestorven, een van die vijf Arthurs nog wel, de Amerikaan Arthur Dake. Eerder in die maand had hij zijn negentigste verjaardag gevierd in Portland, in de staat Oregon, waar hij woonde.

De schaakloopbaan van Dake was kort, maar hij werd als een groot talent beschouwd. Iemand die zelden briljante zetten deed, maar dat ook niet nodig had, omdat zijn stukken als vanzelf de juiste plaatsen vonden. Het meeste dat ik over hem weet staat in het mooie boek The Bobby Fischer I knew and other stories van Arnold Denker en Larry Parr.

Toen Dake zestien was monsterde hij in Portland als leerling-zeeman aan op een schip dat naar Shanghai voer. Hij kon nog niet schaken, misschien heeft hij dat onderweg geleerd. In ieder geval ging hij in 1929, negentien jaar oud, naar New York om zijn geluk als schaakprofessional te beproeven.

Hij kende er niemand. Van Grand Central Station ging hij naar het zeemanshuis, waar hij een zekere Kenneth Grover trof, een kampioen in de Amerikaanse vorm van dammen, checkers.

Ze zetten samen op Coney Island een schaak- en damstalletje neer, waarin ze tegen voorbijgangers om geld speelden. De inkomsten waren niet hoog.

Later probeerden ze het met poker, ergens in Manhattan, en dat ging veel beter, maar toen kwamen er gangsters die de winst afpakten. Dake leefde volgens Denker van water, koffie en druiven en vermagerde sterk.

Maar met het serieuze schaak ging het heel goed. Luttele jaren nadat hij de regels van het spel had geleerd hoorde Dake bij de beste Amerikaanse schakers. Hij haalde een paar mooie toernooiresultaten en in New York 1931 stond hij gewonnen tegen Capablanca. Die stelde voor om de partij af te breken, wat een zekere winst voor Dake had betekend, maar Dake wilde niet, hij wilde winnen op een moment dat de journalisten en fotografen er nog waren, en toen verloor hij. Een jaar later won hij in Pasadena wel van Aljechin, die in die tijd nog geen partij per jaar verloor.

Zijn beste resultaten waren in de olympiades; Praag 1931, Folkestone 1933 en Warschau 1935. De Amerikanen wonnen die drie olympiades en Dake, die in totaal 34 punten uit 45 partijen maakte, was een steunpilaar van het team. Op de boot van Warschau naar de Verenigde Staten ontmoette hij zijn vrouw, die net als hij een Amerikaan van Poolse afkomst was.

Met een vrouw en spoedig daarna ook een dochter, was het niet meer verantwoord om van water, koffie en druiven te leven. Dake ging terug naar Portland en werd gemeenteambtenaar op de afdeling motorrijtuigen. Pas na zijn pensionering speelde hij weer een paar keer in de open toernooien in Lone Pine.

Toen hij stierf was hij in de gokstad Reno. Hij had met vrienden gegeten en wat gedronken, had nog een paar uur in een casino gespeeld en stierf vredig in zijn slaap.

Wit Dake-zwart Aljechin, Pasadena 1932

1. e2-e4 c7-c6 2. d2-d4 d7-d5 3. e4xd5 c6xd5 4. c2-c4 Pg8-f6 5. Pb1-c3 Pb8-c6 6. Pg1-f3 Lc8-e6 7. c4-c5 g7-g6 8. Lf1-b5 Lf8-g7 9. Pf3-e5 Dd8-c8 10. Dd1-a4 Le6-d7 11. 0-0 0-0 12. Lc1-f4 a7-a6 13. Lb5xc6 b7xc6 14. Tf1-e1 Pf6-h5 15. Lf4-d2 Ta8-a7 16. Te1-e2 Ld7-e8 17. Ta1-e1 f7-f5 18. Pe5-f3 De opening is verschrikkelijk mislukt voor Aljechin. 18...Ph5-f6 19. Te2xe7 Ta7xe7 20. Te1xe7 f5-f4 21. Ld2xf4 Pf6-e4 22. Lf4-e5 Lg7-h6 23. Pc3xe4 d5xe4 24. Pf3-g5

Mmkmidlm

mMmMDMmg

gmgmMmgc

mMAMCMBM

KmMAgmMm

mMmMmMmM

GAMmMAGA

mMmMmMFM

24...Dc8-f5 25. Da4-b3+ Le8-f7 26. Pg5xf7 Tf8xf7 27. Te7xf7 Df5xf7 28. Db3-b8+ Df7-f8 29. d4-d5 e4-e3 30. f2-f4 Df8xb8 31. Le5xb8 Kg8-f7 32. d5xc6 Kf7-e8 33. b2-b4 g6-g5 34. g2-g3 g5xf4 35. g3xf4 Ke8-d8 36. a2-a4 Kd8-c8 37. Lb8-d6 Lh6-g7 38. Kg1-f1 Zwart gaf op. Beslist geen heroïsch gevecht, maar zoals Fine schreef, Aljechin verslaan was altijd iets bijzonders.

Wit Fine-zwart Dake, New York 1931.

1. d2-d4 Pg8-f6 2. c2-c4 e7-e6 3. Pb1-c3 Lf8-b4 4. e2-e3 b7-b6 5. Lf1-d3 Lc8-b7 6. Pg1-e2 Lb7xg2 7. Th1-g1 Lg2-e4 8. Ld3xe4 Pf6xe4 9. Tg1xg7

jbMelmMd

aMagmgDg

MaMmgmMm

mMmMmMmM

McGAhmMm

mMBMAMmM

GAMmHAMA

DMCKFMmM

9...Pe4xf2 10. Dd1-c2 Dd8-h4 11. Ke1-f1 Pf2-g4 12. Pe2-g3 Dh4-f6+ 13. Kf1-g1 Df6xg7 14. Pc3-b5 Pb8-a6 15. Dc2-a4 c7-c6 16. Da4xa6 c6xb5 17. Da6-b7 Ta8-d8 Wit gaf op.

    • Hans Ree