GENTHERAPIE HELPT BABY'S MET ERNSTIGE AFWEERZIEKTE SCID-XI

Twee Franse baby's hebben met voorlopig succes gentherapie gehad voor hun erfelijke afweerziekte SCID-X1. Door een gendefect groeien bij SCID-X1-patiënten voorlopercellen van het immuunsysteem niet uit tot volwaardige afweercellen. De patiënten hebben daardoor geen enkele afweer tegen infectieziekten. Met een kreupel, genetisch veranderd retrovirus hebben de onderzoekers het ontbrekende gen in de afweervoorlopercellen van de kinderen gezet, waarna die cellen wèl konden uitgroeien tot functionerende afweercellen (Science 28 april).

SCID-kinderen zijn weerloos tegen allerlei voor gezonde mensen goed op te ruimen ziektekiemen. Onbehandelde SCID-kinderen overlijden gemiddeld binnen vijf jaar na hun geboorte aan infecties met bacteriën als Candida albicans, Pseudomonas en Pneumocystis Carinii. Vroeger moesten SCID-kinderen in een ballon opgroeien, om hen te beschermen tegen infecties. Tegenwoordig krijgen deze kinderen middels beenmergtransplantaties de ontbrekende afweercellen toegediend.

De gentherapie heeft voor de behandelde baby's grote gevolgen: in plaats van regelmatig beenmergtransplantaties te ondergaan, konden de kinderen naar huis met een goed functionerende afweer. Na de tegenvallende resultaten van eerdere gentherapieën, lijkt hiermee eindelijk succes geboekt te zijn bij de ontwikkeling van gentherapie.

Bij mensen met een goed werkende afweer worden indringers onschadelijk gemaakt door verregaand gespecialiseerde witte bloedcellen. Voorlopercellen van witte bloedcellen ontwikkelen zich onder invloed van groeifactoren tot werkzame witte bloedcellen. De groeifactoren zijn boodschappermoleculen die zich op een receptor op de celwand van een onrijpe witte bloedcel hechten. In reactie daarop differentiëren de witte bloedcellen tot het benodigde type afweercel. Bij SCID-kinderen werkt één van deze receptoren niet. Zoals alle receptoren is het een eiwit. Het gen dat voor het eiwit codeert bevat bij SCID-patiënten een defect. Door het niet functioneren van de receptor, komt het signaal van de boodschapper enzymen niet in de celkern van de voorlopercellen aan en krijgen deze cellen niet een signaal om uit te groeien.

De onderzoekers `oogstten' met een beenmergpunctie voorlopercellen bij de twee te behandelden baby's. Met een gemankeerd retrovirus waarin de onderzoekers het ontbrekende gen hadden ingebracht, infecteerden zij de voorlopercellen. Na drie dagen aan dit virus in een reageerbuis blootgesteld te zijn, gingen de voorlopercellen weer terug in het lichaam van de baby's.

Na drie maanden geïsoleerde verpleging waren bij beide baby's de gewenste receptoren aantoonbaar op hun voorlopercellen én circuleerden volwassen afweercellen in hun bloedbaan. Omdat de kinderen een goed werkende afweer hadden konden ze naar huis. Afwachten is nu hoe lang de genetisch veranderde cellen actief blijven.

    • Nienke van Trommel