Filmsociologie

Ik ga nooit naar de film, maar `Lek' schijn ik niet te mogen missen. De recensies over deze nieuwe Nederlandse film zijn heel positief en bovendien staat de zoon van vrienden op de aftiteling. Eén recensent viel erover dat een andere goede Nederlandse film, `Somberman's actie' in de bioscoop zo helemaal niets gedaan had. Ik vind dat niet zo gek. Bart Hofstede wijst in zijn filmsociologische proefschrift heel terloops op het feit dat bioscoopbezoek volksvermaak is en vooral jonge mensen trekt. In 1995 ging van de 16-25-jarigen 80% minstens één keer naar de bioscoop, van de 65plussers was dat maar 6%. Een film met een sombere titel en een treurig plot krijgt de ouderen het huis niet uit, jongeren kiezen meteen al voor een film met spanning, actie en helden waar ze zich mee kunnen identificeren. Daarvoor ga je naar de bioscoop, al het andere kan ook thuis, op de video of de televisie.

Hoewel bioscoop en filmhuis met 20 miljoen verkochte kaartjes meer publiek trekken dan toneel en muziek bij elkaar, is de belangstelling voor filmbezoek toch sterk teruggelopen. Kort na de oorlog ging de Nederlander gemiddeld nog bijna tien keer per jaar naar de bioscoop (meer dan drie keer zo vaak als in de jaren dertig overigens), maar dat daalde al gauw tot ongeveer zes keer per jaar. Na 1960, toen de televisie algemeen ingang vond, ging het bezoek al snel terug naar twee keer per jaar. Nu zitten we al 15 jaar op gemiddeld ruim één bezoek per jaar. De echte bezoekers gaan zo'n driemaal per jaar en krijgen dan vrijwel alleen nog maar Amerikaanse films voorgeschoteld. Franse, Italiaanse, Duitse en zelfs Engelse films zijn nauwelijks meer te zien. Nederlandse nog wel. Sinds 1980 worden er per jaar in Nederland 13 à 14 speelfilms gemaakt (in de periode 1945-1960 nauwelijks één per jaar!) en in een succesvol jaar levert dat een marktaandeel tot ongeveer 20% op. Publiekstrekkers waren de Flodder-films, Soldaat van Oranje, Filmpje! en Ik ben Joep Meloen, vooral het gezellige en het gemakkelijke werk dus. Echte Nederlandse `blockbusters' waren Turks Fruit (1973), met 3,5 miljoen bezoekers, en Fanfare (1958), films uit de tijd dat de televisie nog niet algemeen was en zeker nog geen seksscènes liet zien.

Nederland is duidelijk geen groot filmland. De internationale uitstraling van wat in Nederland gemaakt wordt, is heel gering, alle vijf Oscars voor de `best foreign language' speelfilm ten spijt. Wie het internationaal goed doet ( Paul Verhoeven, Jan de Bont, Rutger Hauer, Jeroen Krabbé), heeft zich geheel aan de eisen van Hollywood aangepast en bestaat alleen in Nederland nog als wereldberoemde Nederlandse filmster of regisseur. In het wereldfilmstelsel van Hofstede is Hollywood het centrum van de internationale audiovisuele industrie. Het centrum is niet oppermachtig, maar wel de kern van een mondiaal systeem, dat geen ruimte meer laat voor de autonomie van een nationale of regionale filmwereld. Het maken van films, het verspreiden en vertonen ervan, de beoordeling en de bestudering, de financiering en de merchandising, het hangt allemaal en overal met elkaar en ook onderling samen. De Amerikaanse film is de norm, in alle opzichten. De rest volgt of zet zich daar tegen af, maar altijd vanuit een perifere positie.

Meer dan enig ander medium is film, uiteraard gaat het hier vooral om de speelfilm, transnationaal geworden. Dat is volgens Hofstede ook niet zo verbazend: film is een duur en arbeidsintensief medium, dat alleen dankzij een groot publiek en een ruime verspreiding uit de kosten kan komen. Omdat het succes van een film onvoorspelbaar blijft, zullen financiers hun risico willen spreiden en tegelijkertijd proberen maximaal profijt te trekken van de publieksbelangstelling door greep te houden op de verspreiding, de vertoning, de videoverhuur en de bij een succesvolle film horende handel in prullaria. Omdat film een massamedium is dat gemakkelijk kan reizen, hebben nationale overheden er van hun kant vaak belang bij greep te houden op wat er gemaakt en vertoond wordt.

Het beeld is overal hetzelfde: men probeert de nationale productie te stimuleren en internationaal te distribueren en als het even kan zal men de nationale distributie van internationale producties frustreren. Buiten de Verenigde Staten is speelfilmproductie zonder hulp van de overheid vaak nauwelijks mogelijk (de Franse regering, maar ook de Deense, is op dit punt zeer actief), maar Hofstede laat ook zien hoe de Amerikaanse overheid na de oorlog in verschillende landen de entree van `Hollywood' in de bioscopen afdwong. Omgekeerd waren en bleven de kansen voor de Franse of Italiaanse publieksfilm in de VS minimaal. Alle troeven kwamen uiteindelijk in één Amerikaanse hand: de grootste thuismarkt van de wereld, de grootste voorraad aan films, de belangrijkste wereldtaal, de aantrekkelijkste mogelijkheden om bewezen talenten nieuwe kansen te geven, de meest commerciële en innovatieve aanpak van het hele proces van maken en distribueren van films. Op geen ander gebied – niet in de beeldende kunsten, niet in de muziek, niet in de sport, niet in de literatuur, niet in de wetenschap – is de dominantie van één centrum zo sterk en zo bepalend. Met recht kan van één wereldfilmstelsel gesproken worden.

Het eigen karakter van het wereldfilmstelsel komt het best tot uitdrukking in het filmfestival, dat conferentie, show, beurs, concours en markt tegelijk is en waar je ook als publiek nog films kunt bekijken. De Oscar-uitreiking is geen festival maar een ritueel waarin de Amerikaanse filmindustrie zichzelf als de heersende kaste van het wereldfilmstelsel bejubelt. Echte festivals zijn Cannes, Berlijn en Venetië en daar worden ook echt zaken gedaan. Nederland kent uiteraard zijn eigen Madurodam-versies van dit alles met de bijbehorende gulle verlening van prijzen. Zakelijk is de betekenis ervan gering en internationaal is Nederland als festivalland en als filmland alleen van belang als het gaat om niet op de markt gerichte of `bijzondere' films: documentaires, kinderfilms, animatiefilms. Daarmee worden ook met regelmaat internationale prijzen gewonnen, maar uiteindelijk levert dat meer prestige op bij een elite van filmdeskundigen dan veel publiek of hoge recettes.

Hofstede ziet in het wereldfilmstelsel naast de `big league' van de wereldwijd gedistribueerde typische Hollywoodfilm twee `little leagues' (`small' of `junior' lijkt me overigens een beter woord). Enerzijds is er de filmhuisfilm, die buiten het centrum van het wereldstelsel geproduceerd wordt, maar wel internationaal verspreiding vindt onder een beperkt publiek, anderzijds is er de nationale publieksfilm en de televisiefilm, die vaak wel trekken heeft van de Hollywoodfilm, maar buiten het centrum en meestal ook buiten het Engelse taalgebied geproduceerd en lokaal gedistribueerd wordt. Het publiek kan groot zijn, zoals in het geval van Franse, Spaanse of Indiase films, en nationaal kunnen acteurs buitengewoon populair zijn (Louis de Funes en Götz George zijn daar typische voorbeelden van, zoals in Nederland Rijk de Gooier of Monique van de Ven), maar ze tasten de positie van Hollywood niet aan en zijn er zelfs geen concurrentie voor. Dertig of veertig jaar geleden was dat overigens zeker nog wel het geval. Anders dan vaak gedacht wordt is de dominantie van Hollywood alleen maar groter geworden.

De filmsociologie is nog geen erg ver ontwikkelde discipline, zeker niet in vergelijking met bijvoorbeeld de kunstsociologie. De verklaring daarvoor is zelf sociologie: film is minder deftig dan schilderkunst of toneel en levert de onderzoeker dus ook minder prestige op. Dat zou niet eerlijk zijn ten opzichte van Bart Hofstede, die een heel leesbaar, origineel en informatief proefschrift heeft geschreven over een onderwerp dat in het leven van de meeste mensen veel belangrijker en invloedrijker is dan de zogenaamde hogere of traditionele kunsten. Wel zal de lezer weten dat de sociologie van `iets' (film, godsdienst, arbeid, gezin, onderwijs, recht) in een proefschrift het bewijs van een dubbele deskundigheid verlangt. Wie graag veel over de wereld van de film wil weten, zal zich door een rijstebrijbergje van sociologische begrippen en methodologische overwegingen heen moeten eten. Naarmate het boek vordert, overwint ook bij Hofstede de fascinatie voor het onderwerp. Wie goed leest, merkt dat het dan ook zonder dat het er steeds bij staat, toch sociologie blijft.

Bart Hofstede. In het wereldfilmstelsel. Identiteit en organisatie van de Nederlandse film sedert 1945. Delft, Eburon/ Amsterdam, Boekmanstichting, 252 blz.

Erasmus Universiteit Rotterdam, 21 januari 2000. Promotor: Prof.dr. A.M. Bevers

    • Paul Schnabel