Een droom van een vrije vogel

Het begin van Willy Deckers indringende nieuwe enscenering van Janáceks opera Katja Kabanová – gisteravond in het Amsterdamse Muziektheater met massaal bravo-geroep een ovationeel succes voor Susan Chilcott in de tragische titelrol – lijkt wel het slot van Puccini's Tosca. Katja staat achterop het toneel, een aan alle kanten taps toelopende zwarte, benauwende koker. Het is niet alleen hetzelfde toneelbeeld als de laatste acte van de Tosca-voorstelling van Nikolaus Lehnhof die de Nederlandse Opera in 1998 in het Muziektheater bracht, maar het gaat ook om dezelfde situatie: een vrouw in doodsnood op de vlucht.

Tosca springt aan het slot van haar opera naar beneden. Als haar minnaar is gefusilleerd en ze haar vrijheid dreigt te verliezen, valt ze de bevrijdende dood in de armen. Katja maakt aan het begin van haar opera vliegbewegingen met haar armen, ze wil naar de hemel, weg van de aarde, waar haar leven gekooid is in een bekrompen dorp. Ze wil vrij zijn als de vogel op het achterdoek. ,,Ik droom heel vaak dat ik een vogel ben. Heerlijk, hoog in de lucht, als dit!''

Katja wordt weer in het gareel gebracht door haar verstikkende omgeving, haar onverbiddellijke schoonmoeder, haar dociele man Tichon die niet voor haar durft op te komen. Katja moet de zwarte kleren aan die iedereen in het Russische dorp draagt, een uniform dat haar een eigen identiteit ontneemt. Als Tichon een tijdje weg is, ontvlucht ze de benauwenis in een relatie met Boris. Wanneer Tichon terugkomt, brengt haar schuldbesef haar tot een bekentenis, waarna ze niet verder kan leven. Zoals Tosca zich in de Tiber wil verdrinken, zo stort Katja zich in de Wolga. Als een neervallende vogel vliegt haar lichaam de dood tegemoet, de verlossing uit een verlammend leven. Maar haar geest is in die vogel, die daar, op het achterdoek geprojecteerd, naar een oneindige verte wegwiekt. Het is uiteraard de meeuw van Tsjechov.

De vierde productie die regisseur Willy Decker en decorontwerper Wolfgang Gussmann na hun zeer succesvolle ensceneringen van Wozzeck, Werther en Elektra bij de Nederlandse Opera op het podium brengen, verloopt volgens dezelfde, deels abstraherende strakke lijnen. Kenmerkend zijn een aansprekende symboliek, gebaseerd op een heldere, in het programmaboek uiteengezette analyse en een uitvoering met fenomenale intensiteit. Die is geconcentreerder dan de met verschillende lijsten zeer esthetische en veel opener voorstelling die Philippe Sireuil in 1988 van dit werk in het Muziektheater regisseerde.

Visueel is deze voorstelling uitsluitend zwart-wit met een enkele grijstint. Het gaat om de spanning tussen binnen en buiten, tussen de verstikkende donkere gevangenis van het gewone leven en de oplichtende vrijheid, verbeeld door de vogels. Steeds obsessiever wordt die vogelsymboliek. Eerst hangt Katja haar kamer vol met tekeningen van vogels. Later komen wanden, vloer en plafond van elkaar los en zweeft alles als in een droom in een heelal vol vliegende vogels. Die pathetiek, op de grens van kitsch en bijna van het banale candlelight-soort, krijgt in dit magnifieke toneelbeeld letterlijk vleugels en verheft zich ver boven het alledaags lijkende verhaal van Janáceks opera, gebaseerd op Ostrovski's fel-realistische De storm.

Groots, meeslepend en werelds is deze deprimerende dorpstragedie allerminst. De weerzinwekkend bedillerige schoonmoeder is een groteske karikatuur van een cliché. Josephine Barstow beheerst in die hardvochtige rol telkens op onverbiddellijke wijze de slotscènes van de drie actes. Tichon (een aandoenlijke rol van Hubert delamboye) is een ridicule zwakkeling. Maar ook het slachtoffer Katja is verre van `normaal'. Ze is onmachtig om zich op een `gewone' manier als een vrouw met een eigen vrije wil los te maken van haar omgeving. Ze zit wanhopig gevangen in een systeem waaraan ze zich ook vastklampt, ze is alleen maar radeloos en redeloos bezeten van een ontembare doodsdrift en ze gaat met open ogen haar ondergang tegemoet.

Decker accepteert het allemaal, maakt het zelfs begrijpelijk en accentueert de extreme situatie nog door Katja en haar schoonmoeder sterk op elkaar te laten lijken, bijna zonder leeftijdsverschil. De zoon Tichon lijkt wel de oudste van de drie, wat de gehoorzaamheid aan zijn moeder nog infantieler maakt.

De beklemmende, pauzeloze voorstelling is een vrijwel voorbeeldig geheel en maakt veel indruk. Er wordt met enorme inzet gezongen door een uitstekende cast. In zijn eerste nieuwe produktie als chef-dirigent van de Nederlandse Opera laat Edo de Waart het Radio Filharmonisch Orkest spelen op zijn top. De Waart komt tot een opmerkelijke opbouw van de muzikale dramatiek, die bij de blazers soms klinkt als een schrille schram.

Janáceks inkervend expressieve muziek voor Katja Kabanová (1921) klinkt hier, vooral in de tweede acte, tegelijk ook Pucciniaanser dan ik ooit hoorde. Decker en De Waart zien Janácek duidelijk als de theatermaker en de componist die het dramatische en onontkoombaar meeslepende van Puccini's melodiek verder voert. Janácek intensiveert de Puccinitaal door de vocale en instrumentale muziek consequent van elkaar te scheiden. Hij onderbreekt ook de lange instrumentale lijnen telkens met accenten van de heftigste soort.

De voorstelling is vooral een triomf voor de Britse sopraan Susan Chilcott als Katja. Ze is werkelijk meelijwekkend, ze zingt hartverscheurend en haar schrijnende emoties gaan door merg en been.

Voor alle voorstellingen zijn nog kaarten verkrijgbaar.

    • Kasper Jansen