Desmet wordt geluidsstudio

Deze week is het Amsterdamse bioscooptheater Desmet gesloten. Daarmee komt een eind aan een lange geschiedenis als theater, die in 1879 begon met komieken, kluchten en operettes.

Desmet, het theatertje met de kordate gevel van J.F. Staal en het sfeervolle art déco-interieur, krijgt een nieuwe bestemming. Het pand dat in 1879 verrees voor negentiende-eeuws theatervermaak, en dat sinds 1946 dienst deed als bioscoop, wordt een geluidsstudio. Het is gekocht door de technicus Paul Weijenberg, die verbindingen onderhoudt met de Hilversumse radiozenders. Daarnaast komt er wellicht een `media-café' in het gebouw, en een tv-studio in de benedenzaal. Maar met de theaterfunctie is het voorgoed afgelopen.

De aanstaande verbouwing is lang niet de eerste uit de geschiedenis van het gebouw aan het begin van de Plantage Middenlaan, dichtbij de oude stad die in de negentiende eeuw werd uitgebreid met de Plantage-buurt. In zijn oergedaante was het een krullerig schouwburgje dat Frascati heette. Het werd daar, in opdracht van de theaterondernemer Gustave Prot en diens zoon, gebouwd toen het oude Frascati in de Nes onderdak ging bieden aan een tabaksveiling. In de volksmond heette het dan ook al gauw Prot. Men kwam er graag, want een kaartje kostte maar een gulden en het repertoire was populair: veel Franse operettes in Nederlandse vertaling, de beste komieken en lieftalligste soubrettes.

Ook nadat Prot junior de zaak in 1912 voor 118.000 gulden verkocht om stil te gaan leven, bleef het theatertje nog geruime tijd in trek. Tot er de klad in kwam; de operettes raakten uit de mode, de oude komieken stierven en de komst van andere theaters in de Plantage-buurt betekende zware concurrentie. Pas in 1930 begon de tweede glorieperiode, onder de naam Rika Hopper Theater. Daarmee bracht de nieuwe eigenaar, de acteur en toneelleider Jacques van Hoven, een ode aan de actrice die tevens zijn echtgenote was. Samen bespeelden ze het theater, na een ingrijpende modernisering die parallel liep aan de door het echtpaar nagestreefde toneelvernieuwing. Uit die periode stamt ook de strakke gevel van J.F. Staal.

,,Heerlijk lijkt 't me te werken in een theater, dat heelemaal van jezelf is'', verzuchtte Rika Hopper in het Algemeen Handelsblad, ,,waar je mag doen wat je wilt om 't publiek aangenaam te wezen... een gezellige zaal, goede stukken, die je kunt instudeeren wanneer en zoo lang je verkiest... niets geen dwang, geen lastige directies, geen hooge huren, geen repetities op bepaalde tijden...'' Na de geslaagde openingsvoorstelling Het leven grijpt van Knut Hamsun, waarmee de fameuze Russische regisseur Peter Sjaroff zijn Nederlandse debuut maakte, volgden acht succesvolle jaren. Toen was het voorbij, volgens de ene bron omdat Van Hoven failliet ging en volgens een andere wegens hun echtscheiding. Het kan ook een combinatie van die twee factoren zijn geweest.

De volgende eigenaar was de dappere Johan Sellmeijer, die er nog zo lang mogelijk – tot eind 1941 – voorstellingen organiseerde met een groep gerenommeerde joodse cabaretiers die uit Duitsland waren gevlucht. Ook uit de naam die het schouwburgje in die tijd droeg, sprak moed: het Beatrix-theater.

Tussen 1944 en 1946, toen er nog wat klein gemonteerde blijspelen en operettes werden geënsceneerd, heette het wederom anders: het Hortus Theater. Maar vanaf 25 september 1946 prijkte er opnieuw een naam van een nieuwe eigenaar op de gevel. Het theater was nu gekocht door Theo M.J. Desmet, telg uit een geslacht van bioscoopondernemers, en werd een bioscoop. Volgens de overlevering kon de conférencier die de openingsavond presenteerde, zich op het cruciale moment niet meer herinneren hoe de naam nu luidde. Na een pijnlijke stilte moest hij gesouffleerd worden: Desmet, met de klemtoon op de eerste lettergreep.

Alle mogelijke soorten films zijn er sindsdien door opeenvolgende eigenaren vertoond, variërend van het traditionele avonturengenre van de gemiddelde buurtbioscoop, tot grote bioscoopdocumentaires als Faja lobbi van Herman van der Horst, harde porno en de kunstzinnige cinema waarmee Desmet de laatste 25 jaar werd geassocieerd. En als het zo uitkwam, werd het theater begin jaren zeventig ook nog wel eens aan een theaterproducent verhuurd. Zo speelden daar de roemruchte naaktrevue Oh! Calcutta!, de cabaretgroep Lurelei, de klucht Potasch & Perlemoer in textiel en de musical Hair.

Onder de zoveelste nieuwe directie volgde in 1980 de verbouwing, die Desmet zijn sfeervolle art déco interieur gaf. De foyer die eerder nog zo verouderd en versleten was, werd door decorateur Dick Schillemans omgetoverd in een authentiek ogende pronkkamer met bijpassende wandornamenten, lampen, deurgrepen, cafétafeltjes en tapijt. Maar achter die façade ging een steeds ouder wordende boedel schuil, waar tenslotte ook de laatste eigenaren, de ondernemers Otger Merckelbach en Robert Swaab, geen brood meer in zagen. In hun opdracht ging woensdagavond, na de laatste voorstelling, de deur dicht.

    • Henk van Gelder