De gevaren van vrede

Vrede lijkt het hoogste goed op aarde, maar kan een samenleving zonder oorlog? Volgens Robert D. Kaplan kweekt een langdurige vrede leiders zonder veel wijsheid. De oplossing is strijd voeren – om na te denken, het geloof te versterken en verder te kijken dan de neus lang is.

De Italiaanse politiek-theoreticus Gaetano Mosca stelde in De heersende klasse (1939) dat wereldvrede iets is om bang voor te zijn, omdat die alleen maar tot stand kan komen ,,als de hele beschaafde wereld tot hetzelfde sociale type behoort, tot dezelfde godsdienst, en als een einde komt aan de onenigheden over hoe sociale vooruitgang moet worden bereikt'. Ook al zou een dergelijke wereld kunnen bestaan, dan lijkt het niet bepaald een aantrekkelijke wereld te zijn. Natuurlijk is vaak niets ergers denkbaar dan oorlog en een gewelddadige dood. Maar één waarheid kunnen we niet vaak genoeg herhalen, namelijk dat vrede als het belangrijkste doel om naar te streven, gevaarlijk is omdat dat suggereert dat men bereid is daarvoor alle principes overboord te zetten. Een lange periode van vrede in een geavanceerde technologische samenleving als de Verenigde Staten kan tot grote ellende leiden, en het ideaal van een wereld waar slechts de vrede heerst onder de goedhartige leiding van een wereldorganisatie, biedt geen optimistisch, maar een pessimistisch toekomstbeeld.

Tot de Eerste Wereldoorlog was oorlog een eerbiedwaardige onderneming, zelfs een nobele zaak geweest, want zowel oorlog als vrede betekende vaak vooruitgang. Wat zou van de mensheid zijn terechtgekomen zonder rebellie! De Eerste Wereldoorlog maakte elke vorm van oorlog onwettig.

De gruwelen waren zo veelomvattend dat ze door geen enkele uitkomst, zeker niet door het behaalde povere resultaat, konden worden gerechtvaardigd. Aangezien een elitaire kliek van generaals en diplomaten de mensheid in deze doffe ellende had gevoerd, was het resultaat de popularisering van internationale studies: de geboorte van de moderne politieke wetenschap.

De eerste politieke wetenschappers namen aan dat, omdat oorlog zo'n smerige zaak was geworden, het mogelijk moest zijn het ontstaan ervan te voorkomen, misschien zelfs om het bij wet te verbieden. Maar zoals van lood geen goud te maken is, kon aan de oorlog ook per decreet geen halt worden toegeroepen. Telkens als dat werd geprobeerd, was de wereld overgeleverd aan degenen die het daar niet mee eens waren, zoals de nazi's en het Japanse leger. Aan de appeasement-politiek tegenover Hitler lag het absurde idee ten grondslag, gepropageerd door de jonge politieke wetenschap, dat oorlog kon worden voorkomen zonder gevolgen die zelfs nog erger dan oorlog waren. Het idealisme was zozeer uit de hand gelopen dat er een 19de-eeuwse Edwardiaanse reactionair Winston Churchill die oorlog met respect bezag, voor nodig was om de beschaving van de rand van de afgrond te redden.

Toen na de Tweede Wereldoorlog de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) werd opgericht en Amerikaanse troepen naar Europa werden verscheept, ontstond een nieuwe situatie waarin oorlogskarakteristieken werden gecombineerd met vredesomstandigheden. Terwijl het geweld beperkt bleef tot de Derde Wereld, liet de Koude Oorlog Amerika vrijwel onberoerd (met uitzondering van Korea en Vietnam), zelfs toen het conflict met de Sovjet-Unie een disciplinair kader verschafte zodat beleidsmatige debatten, en de berichtgeving daarover in de media, meestal serieus van aard waren. De vrede van de Koude Oorlog stelde het Westen in staat de filosofische voorwaarden voor zijn vrijheid en welvaart vast te stellen, dankzij onze tegenstanders: want definities zijn onmogelijk zonder grenzen en vaak nemen die de vorm aan van vijanden. Op die manier waren we in de Koude Oorlog misschien wel dichter bij een utopie dan we ooit zullen komen. Omdat de Koude Oorlog een soort verlenging was van de Tweede Wereldoorlog, bracht hij ook herinneringen aan het verleden mee; dat heb je met oorlog, niet met vrede. Bedenk wel dat de dynamische veranderingen die Amerika doormaakte in de jaren '50 en '60, waaronder de beweging voor burgerrechten en de geleidelijke verdwijning van het antisemitisme, onmogelijk zouden zijn geweest zonder de Tweede Wereldoorlog. Veel sterker dan vrede stimuleert oorlog gelijkheid en maatschappelijke verandering.

Om onheil te voorkomen is een besef van onheil vereist, en daarvoor is historisch besef nodig. Vrede echter leidt tot een onderstreping van het heden, een ontkenning van het verleden en een daaruit voortvloeiende minachting voor de toekomst. Dat komt omdat vrede van nature genot betekent en genot is een kortstondige bevrediging. In een tijd van langdurige binnenlandse vrede hebben hedonisten de macht. Omdat genot onafscheidelijk is van comfort, wordt comfort het belangrijkste element in een samenleving.

Men hoeft maar te bedenken hoe de Amerikaanse maatschappij is verbeterd (of afgetakeld) sinds het einde van de Koude Oorlog, en vervolgens enkele decennia vooruit te blikken en daarbij de exponentiële culturele gevolgen van de snelle technologische vooruitgang in te calculeren, en men ziet de toestand waarin Amerika in vredestijd verkeert.

In een tijd waarin vrede als vanzelfsprekend wordt beschouwd, nemen de elektronische media in toenemende mate de aspiraties van het gepeupel over. Net als de tv-camera heeft het gepeupel geen historisch geheugen en denkt het volkomen reductionistisch: het beschouwt alleen wat zich in het directe gezichtsveld voordoet en niet de complicerende feiten die erachter liggen. Omdat het de media steeds meer ontbreekt aan ironie en gevoel voor het verleden, concentreren zij zich op publieke schandalen, niet beseffend dat een politiek systeem met weinig of geen corruptie naar het tirannieke neigt: Duitsland onder Hitler, Ethiopië onder Mengistu Haile Mariam en Singapore onder Lee Kuan Yew staan onder andere voor een relatieve integriteit in hun bureaucratie. Corruptie, trouweloosheid en domheid zijn, in matige doses, net als een incidentele oorlog, bewijzen van menselijk leven.

Tijdens een periode van langdurige binnenlandse vrede lijken regeringsinstanties minder dynamisch te functioneren omdat ervan wordt uitgegaan dat de nationale veiligheid gegarandeerd is, en de herinnering aan een directe bedreiging ervan is vervaagd. Aangezien de regeringsinstanties minder onaantastbaar zijn dan anders, staan ze eerder bloot aan kritiek, vooral omdat duizenden ambtenaren dagelijks tienduizenden beslissingen nemen, en er dus in een niet-tiranniek regime altijd wel op een of ander niveau een bepaalde vorm van corruptie de kop opsteekt. Te veel informatie en te veel ambitieuze, externe deskundigen moeten uiteindelijk wel leiden tot ondermijning van de staatsinstellingen, omdat in een bureaucratie, die is samengesteld uit gewone, onderbetaalde mensen, wil zij kunnen functioneren, ruimte moet zijn voor fouten. Omdat informatie die wordt verspreid onder een groot en matig opgeleid publiek, gevulgariseerd wordt, zullen de media, en met name de rijke pressiegroepen die er toegang toe hebben, in toenemende mate een massahysterie veroorzaken over bepaalde onderwerpen door een ongenuanceerde verspreiding van uit hun verband gerukte feiten.

Terwijl oorlog leidt tot respect voor een krachtige, vooruitstrevende regering, schept vrede een institutionele leegte die onder andere wordt gevuld door op amusement gerichte ondernemingen. Echte vrede zou aantonen hoe serieus de vragen van de existentialisten in werkelijkheid zijn. In tegenstelling tot wat sommigen denken is het existentialisme meer dan Europese intellectuele aanstellerij. Het houdt zich bezig met de speurtocht naar de zin van het bestaan in een tijd dat er geen enkele reden lijkt te zijn voor een dergelijke speurtocht, omdat niemand zich kan herinneren dat het bestaan ooit bedreigd is geweest.

Een meer concreet bedreigend vooruitzicht in vredestijd is de inkrimping van de staande legers. Mosca merkt in De heersende klasse op dat, aangezien elke samenleving in de geschiedenis beschikt over een hoog percentage aan mannen die zich aangetrokken voelen tot impulsieve, fysieke actie, één functie van staande legers is om dit gewelddadige element in de burgerij te kanaliseren en bureaucratisch te beheersen, en naar een zinvol doel te leiden. Om die reden zal een ingekrompen staand leger naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een toename van bende-activiteiten en andere vormen van gewelddadig gedrag. Zo waren milities veel minder populair ten tijde van de dienstplicht, omdat iedereen in dienst moest en er niets mystieks meer zat in kaki-uniformen en wat deze symboliseerden.

Wij zullen evenveel geweld zien als voorheen, alleen zal het zich ongeorganiseerd voordoen, zonder fraaie filosofische rechtvaardiging.

Als mensen dromen van een vreedzame wereld stellen ze zich die meestal voor binnen het kader van de Verenigde Naties. Hoewel een krachtiger Verenigde Naties in ieders belang zou zijn op het brede terrein van de humanitaire hulp, is een politiek sterke internationale organisatie niet wenselijk.

Het is interessant de abstracte mogelijkheid te bezien van een door de Verenigde Naties geregeerde wereld, omdat die overeenkomt met het vredesscenario dat gevreesd werd door Mosca: een wereld waarin geen fundamenteel meningsverschil bestaat over maatschappelijke verbetering,want als dat er wel was, zouden de grote mogendheden de zeggingskracht in belangrijke zaken niet overlaten aan de Verenigde Naties, waardoor deze hypothetische wereld omschreven kan worden als typisch `onder controle van de Verenigde Naties'. In een dergelijke wereld beslist een eensgezinde, wereldwijde elite hoe ziekten, armoede, het broeikaseffect, dictaturen, drugshandel, handelsbelemmeringen, enzovoort moeten worden bestreden. Het probleem met dit standpunt is dat geen universele waarheden bestaan over hoe een samenleving moet worden samengesteld of verbeterd. Volgens de ideeën van het humanisme kunnen wij niet alles over onszelf weten, zullen wij voor eeuwig een heilig mysterie blijven.

Niet dat wij gedoemd zijn als individu door het leven te gaan en het daarom onderling oneens te zijn: integendeel, dergelijke onenigheden doen onze `menselijkheid' juist des te duidelijker uitkomen. Zelfs als het gaat om kennelijk geboefte als drugssmokkelaars bestaan diepe meningsverschillen, gebaseerd op geografische en historische achtergronden enzovoort, over hoe we die aan moeten pakken.

De Verenigde Naties vertegenwoordigen niet slechts de hoop, maar ook de illusies van miljoenen mensen, van dorpen in de Derde Wereld tot de academies van kunsten en wetenschappen, die willen ontsnappen aan de historische cyclus van oorlog en machtspolitiek, en die het feit missen of ontkennen dat de Verenigde Naties een forum zijn voor diezelfde vermomde machtspolitiek, waarbij de door de Koude Oorlog ontstane scheidingslijnen uiteindelijk door andere worden vervangen.

Terwijl de Eerste Wereldoorlog de oorlog van zijn wettigheid ontdeed, heeft het einde van de Koude Oorlog een even gevaarlijk idee voortgebracht: de onwettigverklaring van de scheidslijnen tussen de grote mogendheden. Zoals wijlen de Franse humanist Raymond Aron schreef in Vrede en oorlog: de theorie van de internationale betrekkingen (1966): ,,De idealist, ervan overtuigd dat hij gebroken heeft met machtspolitiek, overdrijft de misdaden die in dat verband zijn begaan.' Kofi A. Annan, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, is misschien zo'n idealist.

In januari 1999 schreef hij in een artikel in de New York Times: `Een verdeelde [Veiligheids]raad kan de Verenigde Naties verlammen, en heeft dat in het verleden gedaan. Ik moet en zal alles doen wat in mijn macht ligt om iets dergelijks te voorkomen. Annan mist hier de kern van de Koude Oorlog: namelijk dat die ergens over ging, in plaats van dat het een waardevrije aangelegenheid was waarin beide partijen ongelukkigerwijze tegenover elkaar stonden. Sterker nog, aangezien de Koude Oorlog een totemistische strijd was tussen verlichte en despotische waarden, waren tegenstellingen zoals die in de Veiligheidsraad verre te prefereren boven een schandalige eensgezindheid.

Net als iedereen die een vreedzame wereld wil, is de bureaucratie van de Verenigde Naties dol op consensus. Maar consensus kan de dienaar van het kwaad zijn, aangezien het vermogen iets tegen het kwaad te doen de bereidwilligheid inhoudt om doortastend, nietsontziend en zonder consensus op te treden, hetgeen eigenschappen zijn waarover een uitvoerende macht als een nationale regering in grotere mate beschikt dan welke internationale organisatie dan ook. Aron schrijft in dit verband: ,,Wijsheid vereist niet altijd matiging of vrede-door-compromis, noch onderhandelingen, noch onverschilligheid voor de interne regimes van vijandelijke staten, en daarom is oorlog niet altijd zinloos of misdadig, hij is zinvol en functioneel.' Zodoende schuilt een filosofisch gevaar in een sterke secretaris-generaal die een oorlog kan voorkomen of opschorten, zelfs als die oorlog noodzakelijk is om kwaad te bestrijden.

Een mondiaal lichaam is niet zozeer een weerspiegeling van een betere mensheid, maar eerder van de wereldelite als zodanig. Tot voor kort zijn de Verenigde Naties in hoge mate beïnvloed door een aristocratie uit de Derde Wereld, waarvan de families in hun eigen samenleving op diverse manieren rijkdom en prestige hebben behaald, vaak op niet-meritocratische wijze, vaak ook zonder belasting te betalen. Voeg aan deze niet-meritocratische elite een Noord-Europees element toe dat een impliciet vertrouwen heeft in bureaucratie, omdat de eigen historische ervaring is voortgekomen uit een strakke, uni-etnische samenleving waar de ambtenaar `je buurman is'. Het gevolg is eenluxueuze luchtsluis waarin `formaliteiten' en `rituelen' sleutelwoorden zijn, en waar jargon onaangename, aardse waarheden maskeert op een grotere schaal dan in het Amerikaanse Congres, en waarvan de vergoelijkende menselijkheid wordt geïllustreerd door de eigen domkopperij en gebrek aan wereldwijsheid. Hoewel de Verenigde Naties bepaald niet op het punt staan de wereldheerschappij op zich te nemen, dragen zij het zaad in zich van een banale, bureaucratisch afstandelijke organisatie, die niet flexibel is wegens het grote gebied dat zij zou moeten bestrijken, en verantwoordelijkheid mist wegens haar algemeen aanvaarde aanspraak op progressieve rationaliteit. Een dergelijke organisatie zou niet regeren door middel van geweld, maar door behendig misschien met hulp van de almachtige wereldpers alles en iedereen onwettig te verklaren dat haar pad kruist door dergelijke vormen van verzet `immoreel', `niet progressief', `provinciaal' of `isolationistisch' te verklaren.

Wij denken dat we weten wat `politiek correct' is; wij hebben er geen idee van hoe ongelooflijk verstikkend het publieke overleg zou worden in een werkelijk verenigde en vreedzame wereld.

Hoe mondialer, des te meer afstandelijk en hypocriet, dat zou het grootste probleem worden voor een politiek machtige Verenigde Naties. Daarom moeten de Verenigde Naties een instrument blijven van veranderende coalities en grote machtsconflicten, die op hun beurt een bewijs zijn van de oprechte verschillen tussen mensen. Fysieke bedreigingen van de aarde, zoals asteroïden of klimaatveranderingen, vormen ook geen dwingende noodzaak voor een wereldregering. Wegens de vereiste technologische deskundigheid zou een afdoende reactie op dergelijke uitdagingen uitsluitend kunnen worden gegeven door een samenwerking van grote mogendheden, die al of niet gebruikmaken van het sanctionerende mechanisme van de Verenigde Naties. Wat betreft een wereldwijde politiemacht die moet interveniëren bij humanitaire rampen: deze zal eerder voortkomen uit de NAVO dan uit de Verenigde Naties, zoals Bosnië heeft aangetoond. Dat komt omdat militaire coalities doorgaans voortkomen uit een kern van grootmachten die, om historische en culturele redenen, elkaar impliciet zodanig vertrouwen dat ze geheime informatie uitwisselen.

Dit brengt mij op de rol van de Verenigde Staten: een rol die niet alleen noodzakelijk is voor de minimale veiligheid in de wereld, maar voor een gezonde Amerikaanse samenleving, die begint te lijden onder de nadelige gevolgen van de binnenlandse vrede.

Aangezien, zoals de Britse historicus E.H. Carr opmerkt in The Twenty Years Crisis 1919-1939 (1939), internationale doelstellingen het best kunnen worden gerealiseerd door middel van nationaal eigenbelang, zou de president van de Verenigde Staten via de Verenigde Naties zijn macht moeten laten gelden opdat beide ervan profiteren. De Verenigde Staten moeten hun bijdrage betalen en, zonder het aan te kondigen, de Verenigde Naties overnemen en deze zodoende een duidelijke behartiger van Amerikaanse en Westerse belangen maken.

Dat leidt uiteraard niet direct tot vrede, aangezien anderen zich eraan zouden kunnen ergeren en als gevolg strijd gaan voeren; maar een dergelijke actie zou het zouteloze ideologische vacuüm van de wereldorganisatie tenminste opvullen met iemands ideeën jazeker, die van Amerika. Vrede mag nooit opportunistisch benaderd worden. Of het nu de Koreaanse Oorlog was, de Golfoorlog van 1991, of de wapeninspecties tegen Saddam Hussein, de Verenigde Naties waren altijd het meest geloofwaardig als medestrijder voor de doeleinden van het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Net als toen zijn er nu hele hordes techno-optimisten die juichen wegens de uitbreiding van de wereldhandel en beweren dat het menselijkvernuft alle problemen zal oplossen, maar die voorbijgaan aan het feit dathet menselijk vernuft meestal te laat is met het oplossen van het specifieke probleem waarvoor het werd aangewend. Net als toen zijn er nu allerlei nieuwe producten verkrijgbaar voor een zich uitbreidende wereldwijde middenklasse, en ook worden er nog steeds nieuwe voorraden van olie en andere grondstoffen ontdekt. Net als toen is de heersende opvatting dat de groeiende wederzijdse afhankelijkheid van de financiële markten het onmogelijk maakt dat een nieuwe wereldbrand zal oplaaien.

Net als toen wemelt het in de wereld, onder de oppervlakte van geruststellende, mondialiserende waarheden, van allerlei nieuwe, gevaarlijke allianties. Neem de mythe van een herenigd Europa. Europa heeft zich herverdeeld volgens historische beschavingspatronen, waarbij de onlangs uitgebreide NAVO een variatie lijkt op het westelijke Heilige Roomse Rijk, en de oostelijke orthodoxe wereld met Rusland, Roemenië, Bulgarije en het grootste deel van voormalig Joegoslavië verbitterd buitenspel blijven en economisch gezien van de kaart zijn geveegd. Net als een eeuw geleden is er veel nieuw wapentuig dat nu, dankzij de postindustriële miniaturisering, gemakkelijk te verbergen is terwijl het dodelijker is: het perfecte gereedschap voor staatloze terroristen, van wie er genoeg zijn op deze wereld. De klok tikt verder in afwachting van iets uiterst onaangenaams, terwijl de amusementscultuur bijna uit haar voegen barst en de Oscaruitreiking de status heeft bereikt van een nationale feestdag.

Ook om andere redenen is de gedachte van `vrede op aarde' niet realistisch. Door een langdurige binnenlandse vrede staan leiders op zonder herinnering aan een tragisch verleden en dus zonder veel wijsheid. Dergelijke toekomstige leiders zullen ook niet intellectueel zijn gesterkt doordat zij hun leven lang serieuze boeken hebben gelezen ter compensatie van hun gebrek aan historische ervaring: duurzame vrede, met zijn verheerlijking van amusement en gemak, zal steeds minder onderlegde leiders baren.

De massa zal leiden en geleid worden. Dergelijke infantiele leiders zullen ook niet adequaat worden geadviseerd, wegens de omgekeerd evenredige verhouding tussen wijsheid en specialisatie. De mannen en vrouwen die deze toekomstige leiders-in-vredestijd omringen, zullen naar alle waarschijnlijkheid specialisten zijn, en dat geldt niet alleen voor de natuurwetenschappelijke voormannen, maar ook voor hen die zijn opgeleid in de sociale wetenschappen. De enorme opeenstapeling van teksten vormt een generatie mensen die geconditioneerd zijn op jargon en zweverige monografieën, en steeds minder weten van filosofie als geheel.

Denk maar aan de mentaliteit van jonge Witte-Huismedewerkers na zo'n zestig jaar van binnenlandse vrede, en men zal begrijpen dat, ook al heeft men de vrede zestig jaar weten te bewaren, het niet zeker is of dat ook het eenenzestigste jaar zal lukken.

Dergelijke oppervlakkige leiders en adviseurs zullen uiteindelijk, door hun gebrek aan wijsheid en ervaring, een gruwelijke misrekening maken die zal leiden tot een wereldoorlog. De ervaring van het begin van de 20ste eeuw toont hoe deze tragische cyclus van historische zelfcorrectie werkt. Na de Napoleontische oorlogen leidde een vrede van vele decennia in Europa tot leiders die geen gevoel voor de tragiek van het verleden hadden, waardoor ze in de Eerste Wereldoorlog verzeild raakten.

De oplossing voor een dergelijke trend is simpel: strijd voeren, van de ene soort of de andere, hopelijk een geweldloze. Strijd maakt het noodzakelijk dat men van de werkelijke toestand op de hoogte is en zich houdt aan werkelijke gedragsnormen. Terwijl regeringen gedurende een oorlog in bepaalde gevallen zullen liegen, vereist een oorlog uiteindelijk geloofwaardigheid, terwijl dat in vredestijd niet het geval is; zonder een concrete bedreiging worden leugens en overdrijvingen veel minder afgestraft. Strijd verplicht ons na te denken, ons geloof te versterken en verder te kijken dan onze neus lang is.

Een wereld met natuurlijke beperkingen, waarin schone lucht, schoon water en een vruchtbare bodem kostbare zaken zouden zijn, zou ons het gevoel van een oorlogstoestand-werkelijkheid kunnen geven, dat ons ervan weerhoudt tot een barbaarse horde te verworden, maar zonder dat het nodig is dat de bewoners de wapens opnemen. Waar wij altijd met een gezonde dosis scepsis tegenover moeten staan, zijn de `voordelen' van een vreedzame wereld met onbeperkte natuurlijke grondstoffen. Of zoals Ortega y Gasset ons voorhoudt: `Adeldom is synoniem met een leven vol inspanning'.

Robert D. Kaplan is journalist.

Bovenstaande tekst is een ingekorte versie van het laatste hoofdstuk van Het anarchistisch pandemonium,

ISBN: 9027469040. Uitgeverij Het Spectrum. Vanaf 1 juni in de boekhandel.

    • Robert D. Kaplan