De euro mag best kwakkelen

Zolang de euro stabiel blijft op de reusachtige interne markt van de EU, is er geen reden voor overdreven zorgen over de devaluatie van de munt. Maar dat betekent allerminst dat de Europese regeringen op hun lauweren kunnen gaan rusten, vindt Josef Joffe.

De kwakkelende euro brengt Duitsland echt niet zomaar aan de bedelstaf, zoals Michael Glos, de deelstaatfractieleider van de CSU in de Bondsdag, ons probeert wijs te maken. Glos zou gelijk hebben gehad als de ogenschijnlijk onstuitbare devaluatie van de euro – met 25 procent sinds hij werd ingevoerd – het gevolg was van geldontwaarding in het binnenland, de straf voor een hoge inflatie. Maar het goede nieuws is dat de prijsstijgingen in Euroland bescheiden blijven, terwijl de conjunctuur toch aantrekt. In maart bedroeg de inflatie iets meer dan twee procent, en in Duitsland is ze in april zelfs gedaald naar anderhalf procent.

Zolang de euro stabiel blijft op de interne markt, wordt niemand armer, tenzij hij zijn kinderen in Amerika laat studeren, zijn thee in Engeland koopt of in Turkije met vakantie gaat. De 501-jeans, die vorig voorjaar bij Levi's in New York voor 60 mark te koop waren, kosten nu naar verhouding 75 mark. En toch boft de euromens, want bij de grootste dollarpost op zijn handelsbalans, de energie, heeft de devaluatie geen effect meer op de prijzen bij ons, omdat dankzij de opgevoerde productie van de OPEC de aardolieprijs over het geheel genomen weer daalt.

Niets aan de hand dus? Voorlopig in elk geval niet, want devaluatie is lang zo erg niet als geldontwaarding. Met de meeste economische grondslagen waarop de euro rust, is het na de lange, al te lange stagnatie van Euroland niet slecht gesteld.

Wat is het goede nieuws? De werkgelegenheid neemt in Euroland in elk geval sneller toe dan in Amerika, het land van de geoliede banenmachine. De ogenschijnlijk onwrikbare werkloosheid is al onder de tien procent gezakt, het laagste niveau in zeven jaar. De jaarlijkse groei, voor de Europeanen altijd een nogal beschamend cijfer, ligt nu tegen de drie procent. Nog beter: in Duitsland liggen de investeringen in apparatuur en uitrusting – vanouds de motor voor verdere groei – de laatste tijd zo'n twintig procent hoger dan twee jaar geleden.

Ten slotte is ook het eurokapitalisme wakker geworden, niet in de laatste plaats dankzij die euro die nu zo in opspraak is. De oorzaak ligt voor de hand: de uniformering van de kapitaalmarkt van Portugal tot de Poolse grens heeft geleid tot helderheid en concurrentie, en dwingt de ondernemers te streven naar optimaal rendement. Zo worden de oude, beschutte nationale markten opengebroken, en stijgen de efficiëntie en productiviteit. En kost dat dan allemaal geen arbeidsplaatsen? Bepaald niet, anders waren vorig jaar in Euroland geen anderhalf miljoen banen bijgekomen.

Maar als het boven Europa dan een en al zonneschijn is, vanwaar dan die lange schaduw over de gemeenschappelijke munt? Omdat de rente in Amerika hoger is? Het scheelt inderdaad twee procentpunten, maar dat alleen kan de duikvlucht van de euro niet verklaren, temeer omdat de kleine renteverhoging door de Europese Centrale Bank vorige week de daling niet heeft kunnen stuiten.

,,De markten zouden eens moeten kijken naar de fundamentele gegevens. Die pleiten voor Europa, die pleiten voor de euro'', zei Hans Eichel, minister van Financiën. Dat was negen weken geleden, en sindsdien is de euro nog eens zes procent gezakt. Vergist Eichel zich? Of zijn de markten dom?

Mogelijk reageren ze juist té sterk, misschien gaat de `elektronische kudde' die iedere dag voor het beeldscherm zo'n 1,5 biljoen dollar heen en weer schuift, er te wild vandoor en draaft dan het doel voorbij. Maar de markt uitschelden is niet slimmer dan een op hol geslagen kudde vervloeken. Wie die niet tot staan weet te brengen – en interventies van centrale banken tegen de markt hebben meestal weinig geluk – moet de vraag stellen, waarom de kudde nu eigenlijk zo wild geworden is. Het antwoord van de markten zou ongeveer kunnen luiden: ,,De berichten uit Euroland zijn goed, maar nog niet goed genoeg; in elk geval klinken die uit Amerika beter.''

Ottmar Issing, de hoogste econoom van de Europese Centrale Bank, drukt het zo uit: ,,In de VS is de toestand werkelijk sprookjesachtig: een sterke economische groei, een nog lage inflatie en volledige werkgelegenheid.'' Om eens één getal, maar wel een belangrijk getal, te noemen: in Amerika stijgt het aandelenkapitaal jaarlijks met 6,5 procent, in de EU met maar 3 procent. Welke economie heeft dus meer dynamiek?

Daarom zijn de gunstige gegevens over Europa ook weer geen reden om op onze lauweren te gaan rusten. De economische opleving is vooral een kwestie van conjunctuur: hij wordt gestimuleerd door de lage rente, de sterk groeiende vraag in het buitenland en de gunstige wisselkoers. Op de langere termijn bieden deze plezierige factoren echter geen soelaas.

Daarom moet Hans Eichel niet alleen de markten de mantel uitvegen, maar ook kijken naar de `fundamentele gegevens' waardoor de beurshandelaren en bankiers uit Euroland worden verdreven. De cijfers spreken helaas voor zichzelf – en tegen de euro.

In het afgelopen jaar hebben investeerders uit Euroland 120 miljard dollar meer naar het buitenland gebracht dan andersom. De rechtstreekse Duitse investeringen in de VS zijn de laatste vijf jaar bijna vertienvoudigd. De Duitsers hebben in 1999 in Amerika zevenmaal zoveel aandelen en obligaties gekocht als de Amerikanen bij ons. Wat de markten ons daarmee willen zeggen is: ,,Wij, de grote en kleine beleggers, de beheerders van pensioenfondsen en aandelenportefeuilles, denken – ondanks alle prijzenswaardige aanzetten tot hervormingen door Schröder, Jospin en hoe heet de Italiaanse premier vandaag ook weer – dat in Amerika meer te halen valt dan in Euroland.'' Het aandeel van de overheidsuitgaven in het bruto binnenlands product van de EU ligt nog altijd in de buurt van de 50 procent. In Frankrijk is nog altijd een kwart van de werknemers in overheidsdienst. En dus blijven de investeerders sceptisch, en dus daalt de euro en stijgt de dollar.

Wat de markten met muiskliks aangeven, kan nog wel wat scherper worden geformuleerd: ,,Beste Duitsers, terwijl jullie erover bakkeleien of het nodig is om 20.000 Indiase (of Chinese) IT-deskundigen het land binnen te halen, hebben jullie eigenlijk al 150.000 nodig.'' Of tot de Fransen: ,,Bij jullie blijven 50.000 banen in de bouw en 20.000 in de transportsector onbezet. Wanneer slopen jullie eindelijk eens de arbeidsmarktkartels die deze absurditeiten voortbrengen?''

Dat is het minder goede nieuws, maar toch is het beeld als geheel – daarin heeft Eichel gelijk – bemoedigend, niet zorgwekkend. Want de cijfers fluisteren ook dat het voor het eerst in jaren weer de goede kant opgaat. In de jaren negentig investeerden de Amerikanen per jaar in Duitsland een schamele één tot drie miljard mark – een schijntje. Maar kijk eens: in 1999 was het al 17 miljard – een reusachtige sprong, en een bewijs van het nieuwe vertrouwen dat de wereld de eens afgeschreven Duitse economie schenkt, die op dit moment nog altijd overschotten op de handelsbalans realiseert.

Zolang de reële trends maar kloppen, mag de munt best een beetje kwakkelen.

Josef Joffe is uitgever van Die Zeit. © Die Zeit.

    • Josef Joffe