Commissie en Raad

STAATSSECRETARIS Benschop van Europese Zaken heeft zich bekend tot een nieuwe vorm van Europese integratie: met behulp van zogenoemde netwerken. In een recente rede voor het Nederlands Genootschap van Internationale Zaken stelde premier Kok zich deze week toch wat traditioneler op. Het begrip netwerken kwam er niet in voor. Maar ook de premier constateerde dat de beleidsintegratie tussen de lidstaten forse stappen vooruit maakt en ook hij noemde benchmarking, landenspecifieke aanbevelingen, monitoring van de uitvoering ervan, versterkt door `peer pressure', dwingend om in eigen land meer en meer rekening te houden met hetgeen in Unieverband is overeengekomen. Tegelijkertijd probeerde hij ieder van de bestaande instellingen van de Unie – Raad, Commissie en Parlement – het volle pond te geven.

Natuurlijk is de spanning tussen de Europese Raad en de Commissie een gegeven. De Commissie is als instituut vele jaren ouder dan de Raad en heeft van de oprichting van de Europese Gemeenschappen af de bindende, supranationale rol toegewezen gekregen. De Raad van staats- en regeringsleiders heeft pas sinds het Verdrag van Maastricht een formele functie onder de verdragen en staat voor het toegenomen intergouvernementele karakter van de Europese samenwerking. Kok ging enigszins aan deze problematiek voorbij toen hij het verwijt dat de Raad zich buiten de verdragen beweegt een misverstand noemde. Ook al zou dat zo zijn: de echte problematiek ligt immers juist binnen de verdragen van Maastricht en van Amsterdam, die de spanning tussen het supranationale en het intergouvernementele element eerder hebben opgevoerd dan verminderd.

KOK STELDE VAST dat de Raad een concluderende bevoegdheid heeft. Hij noemde daarbij specifiek de economische en de werkgelegenheidspolitiek en hij achtte het voor de hand liggend die bevoegdheid ruimer in te vullen naarmate de onderlinge afhankelijkheid in het beleid (der lidstaten) zichtbaarder wordt. De Economische en Monetaire Unie krijgt zo meer en meer de trekken van een politieke unie, meende de premier.

Degenen die zich over deze als natuurlijk en vanzelfsprekend voorgestelde ontwikkeling zorgen zouden kunnen maken, stelde Kok onmiddellijk gerust. ,,Het verdiepingsproces doet volstrekt niets af aan de positie en bevoegdheden van de Europese Commissie, integendeel'', zei hij. De rol van de Commissie zal bij de voorbereiding van de diverse richtsnoeren en de interne coördinatie slechts toenemen en haar taken zullen zwaarder worden. Kok dacht daarbij aan de toetsing van het nationale beleid – ,,de zogenoemde multilateral surveillance''.

Toch zou hier de vraag kunnen worden opgeworpen wat onder een toenemende rol voor de Commissie moet worden verstaan. `Toenemend' suggereert dat die rol eerder minder was. Als dat al het geval was, was dat juist een gevolg van het toevoegen van steeds meer intergouvernementeel beheerde terreinen aan het proces van Europese integratie en het usurperend optreden van de Raad. De kerntaak van de Commissie is volgens het Verdrag van Rome (1957) initiërend, niet alleen maar voorbereidend en surveillerend. Koks formuleringen doen denken aan de wetgever die de taak van straatagent krijgt toebedeeld met de mededeling dat daarmee zijn rol zal toenemen.