Candy Dulfer over Miles Davis

Het was zomer 1982 en mijn ouders zouden die avond naar een optreden van Miles Davis in het Concertgebouw gaan. Liet ik me daarvoor nog vaak met een kluitje in het riet sturen en konden ze me rustig met oma en opa en een grote zak chips op de bank achterlaten, dit keer voelde ik al dat ik eigenlijk mee moest; dat dat wel eens iets bijzonders kon worden met die Miles Davis. Door iedereen afgeschreven en met een ziekte die zijn handen verkrampt had, scheen hij nu aan een glorieuze comeback begonnen te zijn.

Hij had een nieuwe, jonge band bij zich en ook al was hij wat trompetspel betreft nog niet de oude, het moest een te gekke bijna nieuwe soort muziek zijn. En inderdaad, zijn door zijn ziekte afgedwongen economische manier van spelen, op dat moment door critici (lees: revanchisten) afgedaan met: 'Hij kan het niet meer', zou pop en jazzmuziek voorgoed veranderen.

Maar goed, ik mocht dus niet mee.

Ook het Concertgebouw, waar mijn ouders reeds zoveel misselijk-jaloersmakende concerten hadden meegemaakt, had een sterke aantrekkingskracht. Dit keer moest en zou ik erbij zijn. Zeuren, huilen, dramatisch roepen dat ik anders mijn school niet af zou maken - het mocht niet baten. Ze vertrokken toch, zonder mij, en kwamen pas diep in de nacht terug. Pas 's ochtends bij het ontbijt zag ik ze weer, een beetje bleekjes want het was nog ontzettend leuk en laat geworden.

Ze waren vol van het concert, het beste wat ze in tijden hadden gezien, en mijn vader ging meteen zijn band veranderen. Miles had een bassist bij zich gehad van amper 18 jaar, ene Marcus Miller, en een heel jonge saxofonist, Bill Evans. Dezelfde Bill had bijna de kans van zijn leven gemist, doordat hij de hese uitnodiging van Miles om in zijn band te komen spelen, ingesproken op zijn antwoordapparaat, niet verstaan had. (Stom maar nog niet zo stom als de moeder van drummer Omar Hakim die haar zoon achteloos meldde dat er al een hele week iemand van het weerbericht aan de lijn hing - het bleek Joe Zawinul van Weather Report te zijn.)

Twee lange jaren later was het dan eindelijk mijn beurt; Miles speelde op het Northsea en ik mocht er naartoe! De eerste avond was het meteen al zover, Miles en zijn band gaven een concert dat in mijn ogen de hele wereld op zijn kop zette of dan in ieder geval mijn wereld. Bill Evans was vervangen door Bob Berg, en Marcus Miller door Daryll Jones, maar toch de beste band die ik ooit gezien had, Mike Stern die eruit zag als een ontsnapte tbs-gevangene en speelde of zijn leven er van afhing. En dan natuurlijk Miles zelf. Gentleman, jazzheld, superster, gangster, visionair, alles in één, met een trompetgeluid zo breekbaar dat je voelde hoe de hele zaal de adem inhield om de magie niet te verstoren.

Intussen was ik tot vlak voor het podium gedrongen. En wonder boven wonder, in het derde nummer, Time after Time, liep Miles naar voren en speelde na een indrukwekkende, rochelende aanloop een solo,

speciaal voor mij!

Dat er nog andere mensen zijn die precies ditzelfde verhaal vertellen, kan alleen toegeschreven worden aan hun schaamte-loze fantasie, of misschien aan Miles zijn zonnebril, die zo donker was dat niemand precies kon zien waar hij nou naar keek. In ieder geval dacht ik toen dat hij enkel en alleen voor mij speelde en zo bijzonder heb ik me daarna nooit meer gevoeld.

Iemand naast mij verwoordde nog het best mijn gedachten door in onvervalst Rotterdams te roepen: 'MILES, OUWE REUS!!!' En het leek wel of Miles ineens Nederlands kon verstaan, want hij grijnsde van oor tot oor - wat ook een pijnscheut van zijn toen al versleten heup kon zijn, bedacht ik me later. Nooit was ik gelukkiger als op die avond en nooit hield ik meer zoveel van andere concertbezoekers als toen.