Zoo iets ziet men in Zwitserland niet

Jacob van Lennep was de lieveling van het Nederlandse volk, ondanks zijn door sommigen als `onzedelijk' verketterde, vijfdelige roman `Klaasje Zevenster'.

Rond 1866 krijgt de negentiende-eeuwer er een nieuw spel bij, een variant op het befaamde ganzenbord. Komt de speler met de dobbelstenen op 58 uit, dan verzeilt hij in `De put', de gevangenis. Bij 52 staat de mededeling `Klaasje Zevenster, ontvluchting uit 's Hage' en een paar vakjes verder: `Klaasje Zevenster dood'. Aan het eind van de 63 velden is een hoorn des overvloeds getekend. De witte, ovaalvormige vakken vormen een slinger over het zwarte bord, uitgegeven in Amsterdam bij de firma Vleck. Het nieuwe gezelschapsspel heette `Klaasje Zevenster', naar de in dat jaar verschenen vijfdelige romancyclus De lotgevallen van Klaasje Zevenster door Mr. J. van Lennep (1802-1868).

Het spel ligt opengeslagen in een van de vitrines van het Letterkundig Museum in Den Haag, waar de tentoonstelling Jacob van Lennep, vijand van ledigheid aan de schrijver is gewijd. Verder zijn er manuscripten en boeken te zien, een haarlokje, Van Lenneps biljartkeu, oorkonden, illustraties bij zijn werk, portretten en door hemzelf gemaakte tekeningen. Van Lennep, zoon van een gezaghebbend en gefortuneerd Amsterdams geslacht, was een geweldenaar onder de negentiende-eeuwse schrijvers. Nooit een seconde rust moet hij zich hebben gegund, bevangen als hij was door een explosieve werkdrift waaraan hij uiteindelijk op 66-jarige leeftijd is bezweken. Hij gaf aan het genre historische roman een nieuw leven, alleen al door de frisse levendigheid en zwier van zijn pen. Zijn proza verscheen in 23 delen onder de noemer Romantische werken, poëzie in het 13-delige Poëtische werken en zijn toneelwerk, voornamelijk bestaand uit blijspelen, als Dramatische werken in acht delen.

Met opmerkelijke losheid, `wegslepend van taal' zoals hij het nastreefde, beschrijft hij in twee delen De lotgevallen van Ferdinand Huyck (1840). De openingszin van het `Eerste hoofdstuk' van deze historische roman beslaat, in een latere herdruk, een halve bladzijde: ,,Dikwijls, mijne kinderen! wanneer wij na afloop van den avonddisch, een nauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een vleiende stem toeriep: `och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!' heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italië deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf, en vaak, wanneer door mijn ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling mijns verhaal moesten strekken.''

De hele Van Lennep schuilt in deze woorden. Er is een verteller die onder genot van een pijp het relaas doet van zijn wederwaardigheden. Er zijn kinderen die luisteren, eigenlijk de lezers van het boek. We zien de Hollandse huiskamer voor ons, luiken dicht, gordijnen gesloten. Bij de gloed van de snorrende haard met de dommelende grootmoeder ernaast gaat het over verre landen, merkwaardige ontmoetingen en vreemde streken. Er zal schipbreuk geleden worden op het zeiljacht van kapitein Pulver. De held wordt verliefd op een meisje, Henriëtte Blaek, met wie Ferdinand aan het slot van zijn gevaarlijke avonturen veilig trouwt.

Van Lennep was een verwoed liefhebber van het ganzenbord, hij hield van `spellen' zoals hij het noemde. Dat `spellen' in de ruime betekenis van het woord. Niet alleen een gezelschapsspel als ganzenbord, ook het spellen van de taal. Hij was voor zijn tijd vooruitstrevend in de overtuiging dat het Nederlands soepel en snedig moest zijn, met weglating van alle overdaad in het Frans of Latijn. Dat van zijn roman Klaasje Zevenster een spel voor zowel kinderen als volwassenen werd gemaakt, moet hem plezier hebben gedaan. De grilllige slingerlijn van het ganzenbord betekent meer dan alleen vermaak; we kunnen er de levensloop van de mens in zien. Zowel ganzenbord als Klaasje Zevenster telt 63 vakjes. In het oude volksgeloof is de leeftijd van 63 gevaarlijk. De dood is nabij. Die leeftijd heet het `moordjaar'.

Bordeel

Het blinde toeval van dobbelstenen met hun zwarte ogen die iemands levensloop bepalen: het is de treffendste karakteristiek voor Van Lenneps proza. De levensgang van Klaasje Zevenster veroorzaakte na verschijning in duizend exemplaren, onmiddellijk een groot schandaal. Van Lennep had als romanschrijver, na Ferdinand Huyck, geruime tijd gezwegen. Toch was hij in het geheim al in 1847 aan zijn nieuwe werk begonnen. Klaasje Zevenster wordt, in een kistje, te vondeling gelegd op de stoep van zeven Leidse studenten. Vandaar de naam Zevenster, waarin ook nog het Franse `Pléiade' zit verscholen, de benaming van een groep van zeven dichters. De studenten ontfermen zich als gezamenlijke pleegvader over het kind. Tot zover, tot aan het derde deel, was het een boek dat vaders met gerust hart aan hun dochters konden laten lezen zonder dat die een blos op de wangen kregen. Maar dan. In deel drie belandt Klaasje Zevenster in een Haags bordeel, waar ze verkracht wordt. Een illustratie bij het incident wakkert de scène eens flink aan. Klaasje slaat de handen voor ogen, haar rok met het strakke bovenlijfje is duidelijk door wilde handen betast. De man in kwestie staat wankel op zijn benen. De bordeelhoudster staat in de deuropening. Dit alles is door Van Lennep met zoveel inleving en kennis van zaken beschreven, dat hij de beschuldiging op zich laadde uit eigen ervaring geput te hebben.

Van Lennep werd gesmaad, zijn roman betiteld als `eene handleiding tot het smerigste bordeelwezen' en `apologie van den wellust'. De directeur van een Utrechts leesgezelschap plakte de aanstootgevende bladzijden dicht. In het schotschrift `Asmodée' uitte de hoofdredacteur zijn verontwaardiging: ,,Ik vat V.L. bij het oor, sleep hem zonder omwegen voor het voetlicht en geef hem een schop op die plaats waar de rug een andere benaming krijgt... Dat er zulke rampzalige wezens zijn, `t is ongelukkig genoeg, dat men ze tracht te verheffen, te verbeteren, ik prijs het ten hoogste, doch waartoe onze vrouwen en dochters daarmede in kennis gebracht?''

Die `rampzalige wezens' zijn prostituées.Van Lennep had zich met zijn zedenroman ten doel gesteld het kwaad aan te klagen dat in het geniep in gesloten huizen geschiedde. Hij wilde de zelfvoldane Nederlandse burger de ogen openen.

Allerliefste meisjes

Van Lennep was een van de meest gelezen schrijvers van zijn tijd, iemand die toegang had tot de hoogste kringen. Behalve literator was hij rijksadvocaat in Amsterdam en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bovendien was hij erelid van de Rederijkerskamer Van der Palm, hij beijverde zich voor de aanleg van een waterleiding (1853) vanuit de Kennemerduinen naar Amsterdam en bovendien zette hij zich in voor de `doorgraving van Nederland op zijn smalst' met het Noordzeekanaal tot gevolg. En uitgerekend deze Van Lennep, toeverlaat van de maatschappij, kwam met dit schokkende boek. In de biografie die zijn kleinzoon M.F. van Lennep aan zijn grootvader wijdde, staat dat de schrijver `met ruwe hand dat brevet' van algehele bewondering had verscheurd en een portret van zijn tijdgenoten gaf ,,dat allesbehalve vleiend was, waar hij aantoonde dat huichelarij onder die vrome en schandelijke onzedelijkheid onder die puriteinse Nederlanders maar al te zeer gevonden werden. Men wist wel dat niet alles in den haak was en de kat wel eens in het donker werd geknepen, maar men wilde het liever niet weten.''

Van Lenneps eigen verweer tegen de aantijgingen van die schijnvromen is van een stralende ontroerendheid: ,,Ik kijk liever in mijn album, waarin ik fotografietjes heb van dames, waaronder allerliefste meisjes van 18 jaren, die mij haar konterfeitsel gezonden hebben in ruil voor `t mijne dat zij mij, na `t lezen van K.Z., gevraagd hadden. Die vonden `t dus niet onzedelijk.''

Portretten en een bronzen buste van Van Lennep tonen hem als een man van majesteitelijk evenwicht. Zo is ook de toon van zijn werk. Nooit opgejaagd, heftig of gekweld. Omvangrijke folianten getuigen van een kalm, toegewijd schrijversleven. Zijn handschrift is uiterst leesbaar en beheerst. Bladzijden lang kon hij schrijven nagenoeg zonder een enkele doorhaling. Op latere leeftijd werd hij zilvergrijs, lange manen aan weerkanten van zijn gezicht met scherpe trekken, rechte neus en heldere ogen. Kleinzoon Max, de biograaf, was bijna negen jaar toen hij een haarlok knipte van grootvader Jacob op zijn sterfbed. Het haar heeft nog iets van glans behouden. Op 22-jarige leeftijd huwde Van Lennep met de tien jaar oudere Henriette Sophie Roël, een vriendin van zijn moeder. Tien jaar later, inmiddels was Van Lennep vader van vijf zonen, vluchtte hij met zijn buurmeisje Doortje Ringeling weg uit Amsterdam. Het verliefde stel wilde via Rotterdam naar Engeland vertrekken. De liefdesreis mislukte. Vader Van Lennep plukte zijn zoon van de gereedliggende stoomboot in de Rotterdamse haven en bracht hem terug naar de hoofdstad. Onder de fijne naam `Affaire Doortje Ringeling' verwierf deze zaak bekendheid. Een felbegeerde aanstelling aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, waar zijn vader les had gegeven, liep Van Lennep hierdoor mis. Een andere smet op zijn blazoen is de ingreep die hij verrichtte in Max Havelaar van Multatuli. Althans, Multatulianen denken er zo over. In november 1859 kreeg Van Lennep het manuscript in handen gespeeld, geschreven door E. Douwes Dekker. Van Lennep erkende meteen dat het `een meesterstuk' was, `eigenaardig, verrassend en schokkend', en hij sloot een contract van 1200 gulden af. Hiermee verwierf hij het kopijrecht. Wat hem hinderde, waren de eigennamen, jaartallen en plaatsnamen die Multauli aanbracht om zijn aanklacht tegen de Nederlandse Handel-Maatschappij te verscherpen. Van Lennep achtte dit ongewenst en verving elke feitelijkheid door sterretjes. Dat zou het algemener van strekking maken, was zijn gedachte. Naderhand hield hij een goedkope heruitgave tegen omdat hij wilde voorkomen dat `het boek verlaagd zou worden tot een pamflet, dat verspreid zou raken in toko's en kroegen om tot de verhitte verbeelding van opiumschuivers en jeneverdrinkers te spreken'. Hier spreekt Van Lennep in dezelfde betamelijke taal als in het eerste hoofdstuk van Ferdinand Huyck; een boek was er niet voor bestemd om `oproer en revolutie te maken'. Douwes Dekker deed Van Lennep een proces aan, dat de eerste verloor.

Doorweende nachten

Die geschiedkundige nauwkeurigheid van Max Havelaar staat lijnrecht op Van Lenneps eigen stijl. Het genre van historische roman of schets dat hij beoefende, munt uit door de algemeenheid van aanduidingen. Dat is ook het `romantische' aan zijn werk. Hiermee wordt niet de romantiek bedoeld zoals die in Duitsland en Engeland woedde, met doorweende maannachten en getormenteerd gemoedsleven van de dichters, maar geschreven zoals in de stijl van een roman, dus min of meer ontsproten aan de verbeelding. De grootste bron van inspiratie was voor Van Lennep `ons geliefde vaderland'. In telkens andere bewoordingen komt het vaderland en zijn wispelturige geschiedenis aan de orde, en daarover wil hij verhalen. Vaak zijn de personages fictief. In de reeks `Voorouders', uit het derde deel van Romantische werken, komen Friezen, Saksen, Drentse hunebedbouwers, bewoners van de IJsseloever en andere oertypen uit de Nederlandse geschiedenis aan bod. Het verhaal `De Hunenborg' opent met een lieflijk-romantische Natureingang: ,,Het was avond. De uitgestrekte heide, kort te voren nog door de laatste zonnestralen met een gloeiende bruine tint gekleurd, vertoonde niets meer dan een vale, sombere vlakte. De rozeverwige wolkjes, die hier en daar aan het zwerk dreven, trokken zich aan den westelijken gezichteinder te zamen, als om der ondergaande zon tot rustbed en dekkleed te verstrekken.'' Het is een groots opgezet verhaal vol `nachtgeheimenissen', ruiters te paard, Witte Wijven en huizen die `bekold en behekst' zijn.

Van Lennep ontbeerde de aanvallende, polemische kracht van Multatuli; hij was, ondanks Klaasje Zevenster, de lieveling van het Nederlandse volk, `heel Neêrlands vriend'.

Geen genre liet hij onbeproefd. Treur- en blijspelen werden in de schouwburg van Amsterdam opgevoerd. Hij dichtte een Hulde aan Van Speyk die onder de strijdkreet `Dan liever de lucht in!' zijn kanonneerboot voor de kust van Antwerpen liet ontploffen. Van Lennep wilde met zijn werk `de boezems der toeschouwers' doen ontgloeien. Hij verheerlijkte het `geliefd vorstenhuis'. Rembrandt en Vondel dichtte hij lof toe, kortom, hij verwierf de status van Dichter des Vaderlands met geen andere opdracht dan de `snaren te beroeren van het Nederlandse volk'.

Van reizen hield hij niet. De bergen stemden hem somber en melancholiek. Na terugkeer van een buitenlandse reis schreef hij op 17 augustus 1855: ,,Thuis gekomen en naar den Buitenkant gewandeld. Neen, dacht ik by my zelven, toen ik van den Ooster doksdijk op die tallooze zeilvaartuigen, schuiten, booten, gieken, enz. nederzag, die elkander in `t Y doorkruisten, en van daar mijn oogen weiden liet over de prachtige stad en de nergens geëvenaarde verscheidenheid van gevels, torens, daken, schoorsteenen, stoepen, in- en uitspringende hoeken welke zij aanbiedt, terwijl overal een tallooze menigte heen en weder draafde, de vlaggen vrolijk wapperden, en de ondergaande zon het water, de gebouwen en de overzijde met gloeiende kleuren overgoot: neen! zoo iets ziet men in Zwitserland niet.''

Na die wandeling toog hij naar zijn werkkamer in het statige huis aan de Keizersgracht 560, trok zijn lichtgrijze `molenaarspak' aan en doopte de ganzeveer in een flesje inkt. In zijn werkkamer slierde tabaksrook, ook snoof hij onophoudelijk.

Ongrijpbaar

Ondanks de onstuitbare schrijfdrift, zijn `schrijf- en drukjeukte' zoals zijn vader het noemde, blijft Van Lennep een ongrijpbaar persoon. Multatuli of een dichter en briefschrijver als Gerrit van de Linde, bekend als De Schoolmeester, komen in hun werk dichterbij dan Jacob van Lennep. Hij schreef ongelooflijk vlug en beweerde dat hij, wanneer hij aan een roman of gedicht bezig was, `het hem uitrustte om dagvaardingen of adviezen als rijksadvokaat te moeten stellen'. Op negentienjarige leeftijd vertaalde hij Byron en kort daarop Hamlet en Macbeth van Shakespeare. Hij rijmde onverdroten, zelfs zeer scabreuze verzen. Op zijn negende dichtte hij een aandoenlijk vers voor zijn veertienjarige tante. Een hoekig kinderhandschrift geeft te lezen: ,,Lieve tante: Ik hoop dat gy/ vergenoegd, gezond en bly/ u verjaardag nu zult vieren/ / en u hoed met bloemen cieren/ Ik ben uwe neef en vrind/ die u hartelyk bemint.'' Op hoge leeftijd wilde Van Lennep nog steeds bij meisjes en vrouwen in het gevlei komen. De anekdote gaat dat hij op een plein in Zuid-Frankrijk als grijsaard met zijn voet de hoed van het hoofd lichtte, om dames te imponeren. Het lijkt een onmogelijke handeling. Misschien dat hij diep bukte.

Van Lenneps negentiende eeuw telde grootse ontwikkelingen. Stoommachines, spoorwegen, de uitvinding van het automobiel, naaimachines, de fiets, het papiergeld - het stamt allemaal uit die tijd. Die vernieuwingen hebben zijn gemoed misschien verstoord, al stierf hij nog voor het laatste kwart van die eeuw. Busken Huet gaf een treffende kenschets van Van Lennep; hij zag in hem `een kind der negentiende eeuw, die met een verloren-paradijs gevoel het aanzicht gekeerd houdt naar den bloeitijd der achttiende'. Dat gevoel het paradijs verloren te hebben, maakte Van Lennep verlangend naar het Nederland van vroeger. Het is ook de kenschets van `romantiek': het kwijtgeraakte of voorbije terug willen winnen. In een liefdesvers uit 1819 geeft Van Lennep iets wezenlijks van zichzelf prijs: ,,En met gelijke drift voel ik mij weer bemind.'' Dat wilde Van Lennep, net als zijn evenbeeld uit Ferdinand Huyck: bemind worden.

`Jacob van Lennep, vijand van ledigheid'. Letterkundig Museum, Den Haag. T/m 17/9. Het werk van Jacob van Lennep is antiquarisch verkrijgbaar. In `De geest van de dichter' (1990), uitgeverij Querido, staat een gefingeerd gesprek dat Marita Mathijsen met Jacob van Lennep voerde op 27 januari 1867. Internet: www.negentiende-eeuw.nl.

    • Kester Freriks