Vissen

Max en Vera zaten aan de waterkant. Ze waren aan het vissen. Ze hadden allebei een hengel van bamboehout. Aan Vera's lijn zat een rode dobber, aan die van Max een gele. De dobbers dreven naast elkaar in het water. Het wachten was tot ze beet hadden, en dan nog moest de vis doorbijten en niet alleen de wurm van de haak smikkelen. Want de bedoeling was dat hij de haak in zijn bek kreeg. Van schrik en pijn zou hij dan wegzwemmen, maar daardoor ging de dobber onder water en wisten de vissers dat ze hun hengel op moesten halen. Eigenlijk was het best wreed. Max en Vera hadden er hele gesprekken over gevoerd.

,,Kunnen we niet zonder een wurm aan de haak vissen?'' had Vera bijvoorbeeld gevraagd.

,,Jawel'', had Max gezegd, ,,met een bolletje brood. Maar dan krijgt de vis de haak óók in zijn bek. Maar je kan het haakje losmaken hoor, daar gaat de vis niet dood van.''

,,Maar als de vis de haak nou doorslikt?'' vroeg Vera, ,,dan komt ie in zijn maag en dan...''

,,Hij slikt hem niet door'', stelde Max haar gerust, ,,daar is de haak veel te groot voor en de vis te klein.''

Vera had willen vragen hoe Max van te voren wist dat hij een klein visje aan zijn haak zou krijgen, maar ze hield het maar voor zich. Zuchtend was ze Max naar de waterkant gevolgd. Ze kreeg ook nog bijna het puntje van zijn hengel in haar oog. Wat een gedoe, dat vissen.

Maar toen ze eenmaal zaten, viel het mee.

Eerst was er het inwerpen van de hengel. Dat was al een heel gedoe.

Je moest enorm oppassen dat de lijn en de dobber en de haak niet in de bomen bleef hangen. Verder moest de dobber natuurlijk op een mooi plekje in het water terecht komen, hij moest door de wind niet meteen in het riet worden geblazen. Als dat allemaal achter de rug was, moest je gaan zitten zonder uit te glijden in de modder.

Daarna begon het kijken naar de dobber in het water.

En na een tijdje werd dat kijken staren.

En van dat staren kregen ze zere ogen.

En daarna zagen ze hun dobber niet meer.

Maar niet getreurd; dan moest je flink met je ogen knipperen en dan ging het wel weer. En in geval van verveling kon Max altijd nog naar Vera's dobber kijken en zij naar die van hem. Zo ging de middag wel om.

Toen gebeurde het.

Rond de rode dobber kwamen voorzichtig kringen in het water. Het puntje van de dobber wiebelde. De buik van het dobber schudde wat heen en weer.

,,D'r zit een vis bij jou'', fluisterde Max tegen Vera.

,,Hè jakkie, wat eng'', fluisterde Vera geschrokken, ,,mogen we nou niet meer hardop praten.''

Max schudde het hoofd, heel ernstig.

De rode dobber wipte op en neer en verdween ineens onder water.

,,Ophalen!'' riep Max.

Vera liet bijna haar hengel vallen. Maar toen bedacht ze zich. En ze sloeg haar hengel omhoog. De lijn flikkerde in het zonlicht. Aan het uiteinde flapperde een vis heen en weer, geen grote vis, maar toch duidelijk een vis. Hij had een oranje buik en een gele staart.

,,Een vis!'' jubelde Max, ,,je hebt een vis gevangen!''

Dat zag Vera ook wel. Ze had de hengel inmiddels rechtop tussen haar benen staan en de vis bungelde voor haar neus. Max stond op en pakte hem beet. Het haakje zat in zijn onderlip. Er was nergens bloed te zien.

Max kneep in de vis en wurmde voorzichtig het haakje los. Toen gaf hij Vera de vis.

,,Goed vasthouden'', zei hij.

Maar Vera had nog nooit een levende vis in handen gehad en het glibberde verschrikkelijk, dus voor ze het wist was de vis tussen haar vingers verdwenen. Met een kleine plons viel hij weer in het water.

,,Dan beginnen we overnieuw'', mompelde Vera teleurgesteld en ze begon een nieuwe wurm aan haar haak vast te maken. Het was duidelijk doorzetten geblazen, dat vissen.