`Parijs zit vol met filosofen zonder ideeën'

Niks Sartre-revival. Van elke 100 boeken die in Frankrijk verkocht worden van Sartre, Camus en Malraux, zijn er 75 van Camus, 24 van Malraux en 1 van Sartre. Aldus Olivier Todd, wiens Malraux-biografie binnenkort uitkomt. Deze week verschijnt de vertaling van zijn gezaghebbende Camus-biografie. Een gesprek over het intellectuele leven in Frankrijk.

Op 4 januari 1960 raakte de Facel-Vega waarin Albert Camus, samen met zijn uitgever Michel Gallimard, na een vakantie in de Midi op weg terug was naar Parijs, van de weg en botste tegen een plataan. In de schoudertas van Camus werd zijn laatste, onvoltooide manuscript gevonden – 144 dichtbeschreven vellen van een autobiografische roman, die moest uitgroeien tot een epos over Frans Algerije. Ruim dertig jaar later zou Catherine Camus, de dochter van Albert, deze ruwe, eerste versie uittypen, van punten en komma's voorzien en toestemming geven voor publicatie van Le premier homme in 1994.

Dat zij dat niet eerder deed, was uit angst voor heftige reacties van Camus' critici. Had voor zijn dood niet ieder nieuw boek geleid tot een heftig politiek of filosofisch debat? Was Camus de laatste tien jaar van zijn leven niet de kop van Jut geweest van de hele linkse Parijse intelligentsia? Zijn controverse met Sartre, zijn politieke stellingnames, zijn stilte waar het de onafhankelijkheid van Algerije betrof, zijn filosofie van het absurde, zijn seksuele appétit, zijn toneelstukken – het had allemaal de nodige agressieve reacties opgeroepen.

In dezelfde periode periode achtte Catherine Camus de tijd rijp om haar medewerking te verlenen aan een biografie over haar vader en verleende zij Olivier Todd inzage in nog onbekende brieven en andere documenten. Vier jaar geleden publiceerde hij zijn veelgeprezen biografie Camus – Une vie, waarbij hij erin slaagde leugen van waarheid en mythe van werkelijkheid te onderscheiden (besproken in Boeken 26.05.96).

In zijn appartement in de Rue de l'Odeon in Parijs, spreekt Olivier Todd nog steeds met hartstocht over de Franse schrijver die zo vaak in één adem met Sartre wordt genoemd. Hij legt dezer dagen de laatste hand aan zijn nieuwe biografie van schrijver en staatsman André Malraux, maar daarover wil hij nog niets kwijt. Iedere keer stelt Todd zich maar één vraag: `What makes them tick?' Als veeleisend biograaf voegt hij daaraan toe, dat hij nooit tevreden is over het antwoord, omdat je ``toch nooit echt tot het geheim doordringt''.

Als lezer van zijn volumineuze levensbeschrijving van Camus, heb je echter juist de indruk dat er niets voor je verborgen blijft. Todds gedegen bronnenonderzoek en zijn enorme verteltalent maken deze levensbeschrijving tot een zeer geslaagd portret van een verscheurd schrijver. Todd vraagt of ik sigaretten bij me heb, vertelt dan dat hij net met roken is gestopt en neemt in arren moede nog maar een nicotine-pilletje. Terwijl hij bij tijd en wijle geagiteerd door de kamer beent, springt hij van de hak op de tak en begint vaak aan een antwoord dat hij vervolgens niet afrondt.

Net als Camus groeide Todd (1929) op tussen twee culturen, in zijn geval de Engelse en de Franse. Net als bij Camus was zijn vader de grote afwezige in zijn jeugd (``Mijn vader heeft mij pas veel later erkend. He then made an honest man out of me''). Todd begon zijn carrière als leraar in Saint-Germain-en-Laye en was (net als Camus) zeventien jaar journalist. Als grand reporter voor de Nouvel Observateur en L'Express reisde Todd de wereld rond. Na vele reportages over de oorlog in Vietnam vertrok hij uit de journalistiek. Todd publiceerde veertien essays, romans en reisverslagen en een veelgeprezen biografie van Jacques Brel (1984).

Als schoonzoon van de in 1940 gesneuvelde communistische schrijver Paul Nizan, verkeerde Todd in de kringen van Sartre, die hij, zoals blijkt uit zijn autobiografische boek Un fils rebelle (1981), een tijd lang als zijn tweede vader beschouwde. Toch was hij ook een bewonderaar van Camus – een gevoelsmatige tegenstelling die hij oploste door `bewuste schizofrenie'. Al vroeg besloot Todd zich, wat betreft zijn verhouding tot Sartre en Camus, in `compartimenten' op te delen, al lijkt hij nu, afgaand op zijn venijnige anekdotes over Sartre, definitief in het compartiment van Camus te zijn beland. ``Ik behoorde ook nooit echt tot de famille sartrienne,'' zegt Todd; ``en ik betwijfel of Sartre achter de gemaakt menselijke blik, wel een goed mens was.'' Simone de Beauvoir kenschetst hij als ``een blauwkous die pretendeerde de waarheid en de wijsheid in pacht te hebben – een emmerdeuse. Ze vertelde mij eens over Camus dat ze zijn voorkeur voor maagden onuitstaanbaar vond. Camus schreef in zijn carnets: `les sartriens m'ont mis toute leur saloperie sur le dos' (de Sartrianen hebben mij al hun smerigheid in de schoenen geschoven). Later las ik in het boek van Bianca Lamblin, Mémoires d'une jeune fille dérangée, dat Sartre er tegenover zijn werkster prat op ging dat hij in één week twee maagden in zijn bed kreeg. Toen begreep ik wat Camus bedoelde.''

De biografie van Todd begint met een uitgebreide beschrijving van Camus' jeugd en van de volkswijken van Algiers, waar hij opgroeide. Zijn vader, kelderknecht met ambities bij een Algerijns wijnhuis, stierf in 1914 bij de slag om de Marne, nog geen dertig jaar oud. Albert en zijn broer Lucien groeiden op bij hun zachtaardige, half-dove, ongeletterde moeder, hun overheersende, hardhandige grootmoeder en bij twee ooms met wie ze een kleine woning deelden. ``Voordat ik aan de biografie begon, wist ik wel dat de familie Camus weinig geld had,'' zegt Todd, ``maar pas toen ik aan mijn onderzoek begon, ontdekte ik dat deze pieds noirs (Algerijnen van Franse oorsprong - md) werkelijk erg arm waren. In De eerste man beschrijft Camus prachtig de emotionele kant van die armoede. Ook heb ik toen pas goed begrepen hoe Camus zijn leven lang heeft geleden onder de tuberculose, die hij in zijn jeugd had opgelopen en waarvan hij eigenlijk nooit is genezen. Wat mij ook verbaasde was de overgevoeligheid en de tegenstrijdige twijfel van deze man, die de naam had nogal hautain en arrogant te zijn. Zijn hele leven twijfelde hij – aan zichzelf en aan zijn vermogen te schrijven. Toch definieerde hij al vroeg de drie pijlers van zijn toekomstig oeuvre: romans, essays en toneel. Later in zijn leven, in het midden van de jaren vijftig, leed hij aan writer's cramp en besloot toen maar novellen te maken – als een pianist die, omdat hij geen sonates meer kan spelen, kiest voor kortere toccata's.''

In 1940 vertrok Camus naar Parijs om er werk te zoeken en in alle rust te kunnen schrijven. Hij zou zich er altijd een buitenstaander voelen. Hij sloot zich aan bij de verzetsgroep Combat, werd na de bevrijding hoofdredacteur van de gelijknamige krant en diagnosticeerde er de kwalen van zijn tijd. Als denker en moralist – ook in politieke kwesties – was hij een eenling in het naoorlogse Franse intellectuele milieu, waar het marxisme de overhand had. Camus schreef over zijn angsten, maar verwierp iedere vorm van fanatisme en van totalitaire verleiding. Een te gemakkelijke, laffe houding, vond men. Hij zou ervoor terugdeinzen zijn handen vuil te maken.

Todd begon dan ook aan zijn biografie ``vanuit een onduidelijk gevoel dat Camus onrecht was aangedaan. Hij had de dubieuze reputatie van reactionair, van anticommunist. Bij mijn onderzoek heb ik ontdekt dat Camus al in 1935 lid was geworden van de Algerijnse Communistische Partij, maar dat hij zich een paar jaar later heeft laten royeren. Hij deed dat om volledig begrijpelijke, eerbare redenen. In opdracht van de Communistische Partij in Moskou, stopten de Franse en Algerijnse partijen hun antikolonialistische activiteiten en streden zij alleen nog tegen het fascisme. Daar was Camus het niet mee eens en hij stapte – om linkse redenen! – uit de partij.

``In een van zijn belangrijkste essays, L'homme révolté (1951), legt Camus in een breder discours uit waarom hij het communisme van de hand wijst. Intellectuelen waren volgens hem veel te snel bereid bloed te laten vloeien. Bovendien zette hij vraagtekens bij het concept van de revolutie, niet alleen bij de Russische, maar ook bij die allerheiligste der revoluties, de Franse. Het kan best zijn, schreef Camus, dat Lodewijk XVI een domme man was, maar slecht was hij niet. Veel later zijn dit soort ideeën door historici bevestigd. Francis Jeanson, medewerker van het door Sartre, De Beauvoir en Merleau-Ponty opgerichte, existentialistische tijdschrift Les Temps Modernes, schreef een vernietigende kritiek op L'homme révolté en viel ook de auteur persoonlijk aan. Camus, die een zuidelijk temperament had, voelde zich in zijn eer aangetast en stuurde een woedende reactie terug, waarmee de breuk met Sartre, in 1952, een feit werd.''

In 1956 schreef Camus La chute, volgens Todd zijn ``meest sublieme boek.'' In La chute onderwerpt hoofdpersoon Jean-Baptiste Clamence zichzelf, in een Amsterdamse bar, aan een gewetensonderzoek. Hij analyseert zijn handelen, beoordeelt zichzelf en roept anderen op hetzelfde te doen. ``Het raakte me enorm toen ik het las,'' zegt Todd, ``zelfs toen ik nog niet begreep hoe autobiografisch het was. Het is een universeel boek. Iedereen kan er zich op de één of andere manier in herkennen. Ook Sartre vond het Camus' beste boek (`Camus heeft zich er helemaal in verborgen', zei hij), al heeft hij hem dat nooit gezegd. Dat kon niet in het Frankrijk van die tijd. Om politieke redenen verklaarde men elkaar dood. Dat was in Engeland wel anders. Vreemd genoeg lagen hun meningen niet eens mijlenver uit elkaar. Ze waren beiden atheïst en, ieder op hun eigen wijze, met het communisme bezig. Sartre had, in naam van het proletariaat en om ingewikkelde redenen, verwoord in een verwarrende dialectiek, het kamp gekozen van het communisme in de Sovjet-Unie, waar dat proletariaat nu juist verschrikkelijk werd uitgebuit. Camus was – godzijdank – niet een filosoof à la française.''

Wat Todd daaronder verstaat wordt snel duidelijk. ``Camus heeft herhaaldelijk toegegeven dat hij geen filosoof was, en al helemaal geen existentialist. Maar dat wil niet zeggen dat hij geen ideeën had! Parijs zit vol met filosofen zonder ideeën. Ze hebben hun mond vol met grote woorden en denken dat er achter ieder zelfstandig naamwoord een hele wereld schuilgaat. Weet u, ik heb in Engeland filosofie gestudeerd en dan ben je voor je leven gevaccineerd tegen hol gewauwel. Camus heeft nooit maar wat uit zijn nek gekletst. Zijn ideeën over het absurde, die hij uiteenzet in Le mythe de Sisyphe (waarin Camus, ondanks de zinloosheid van het bestaan, betoogt dat zelfmoord niet het juiste antwoord is op de absurditeit van het leven – md) , moet je in zijn historische context zien. Het geeft Camus' gemoedstoestand weer in het bezette Frankrijk.''

Zal er ooit sprake zijn van een revival van Camus, zoals je dat nu ziet voor Sartre? Todd loopt rood aan. ``Er is helemaal geen sprake van een Sartre-revival! Er is een mediahype rond Bernard-Henri Lévy en een handjevol intellectuelen van rond de vijftig die zich lopen op te winden. Er zit helemaal niemand van een jongere generatie bij. De invloed van Sartre op jonge intellectuelen is zo goed als nihil. Praat maar eens met jonge historici. Kijk naar de verkoopcijfers. Van iedere honderd boeken die er verkocht worden van Sartre, Camus en Malraux, zijn er 75 van Camus, 24 van Malraux en 1 van Sartre. Camus heeft zijn lezers nooit verloren. Er was een tijd dat hij door links te rechts werd gevonden en door rechts te links, maar dat is nu voorbij.''

Wie zijn dan toonaangevende intellectuelen van dit moment? Philippe Sollers soms, het prototype van de Franse intellectueel die onlangs zijn zoveelste boek over de liefde publiceerde?

``Er is niemand met een zo breed kompas als Sartre of Camus. Sollers, met zijn eeuwige sigaret, irriteert mij. Ik houd niet van die mediageile personages. Sollers' werk wordt niet in het Engels vertaald. Dat bewijst dat er een universeel element in zijn werk ontbreekt. Hij is te parisien. Toen ik jong was las iedereen Malraux of Mauriac. Nu zou ik niet weten wie ik moest lezen. Dat is volgens mij één van de redenen waarom de biografie als genre zo populair is. Een biografie gaat niet alleen over een persoon, maar geeft ook een allesomvattende geschiedenis van een tijdperk, in historisch, literair en politiek opzicht.''

Todd heeft aan zijn eigen definitie van een biografie voldaan. Wie geïnteresseerd is in de achtergronden van de huidige, nog steeds moeizame relatie van Frankrijk met Algerije, vindt een verhelderende historische achtergrond in Todds boek, al blijft de persoon van Camus zijn uitgangspunt. ``Algerije blijft in Camus' leven de meest heikele kwestie,'' zegt Todd. ``Je kunt hem niet afschilderen als een klassieke antikolonialist. Al voor de oorlog schreef Camus tegen de uitbuiting van de arme blanken en de indigènes (de Algerijnen – md) door de rijke Franse kolonisten. Op de dag dat Frankrijk bevrijd werd, veroorzaakten de Fransen zelf een bloedbad onder de Algerijnen die hun onafhankelijkheid opeisten. Camus was de enige die daarover zijn mond open deed. Maar hij stond wel erg afwijzend tegenover een onafhankelijk Algerije. Hij dacht voor alles aan de pied noir en aan zijn moeder, die weigerde zich in Frankrijk te vestigen. Het is waar dat Camus het contact met de Algerijn `in de straat' verloren had. Hij sprak geen Arabisch en men verweet hem dat er geen Arabieren in zijn literaire werk voorkwamen. Dat is overigens niet juist, want in zijn novellen zijn die er wel degelijk. In De eerste man spreekt de held, duidelijk Camus' alter ego, met een kolonist die hem de Algerijnse volksaard uit de doeken doet: ze vechten, snijden elkaars ballen af en verzoenen zich de dag daarna.''

Van de gewelddadige acties van het Algerijnse FLN (Front de la Libération Nationale), dat daarmee de Algerijnse onafhankelijkheid wilde afdwingen, moest Camus niets hebben. ``Hij wist dat het FLN een totalitaire partij was. Ze vermoordden ook leden van de andere Algerijnse nationalistische partij. Camus zag voor Algerije een multiculturele staat, coëxistentie met gelijke rechten tussen de bevolkingsgroepen, een constructie waarvan wij nu hopen dat hij in Zuid-Afrika zal werken. Toen was er niemand die dat een goede optie vond. Men verweet Camus `historische onbeweeglijkheid' en verdacht hem van koloniale, racistische sympathieën, die lang aan zijn naam bleven kleven.''

Vaak wordt er gezegd dat Algerije voor Camus was, wat Vietnam voor Todd zelf was. Todd raakte in diskrediet door onjuiste berichtgeving over de oorlog in Vietnam, waar hij in 1965 door France Observateur naar toe werd gestuurd Todd: ``Ik wist niets van dat land. Mijn eerste stukken waren niet slecht, want ik schreef op wat ik zag. Daarna ben ik ontspoord. Op advies van Sartre ging ik, bij mijn latere reizen naar Noord- en Zuid-Vietnam, over ideologie schrijven. Hij suggereerde dat het interessant zou zijn als ik onderzocht hoe men daar, ondanks de oorlog, aan het socialisme bouwde. Onzin natuurlijk, ze construeerden niets anders dan een autoritaire maatschappij. Dat wilde ik gewoon niet zien. Ik heb grote onzin verteld, groteske stukken geschreven. Daar schaam ik me nog steeds voor. Ik had er niets van begrepen en het duurde tot 1973 voordat ik echt door kreeg wat er in Vietnam gebeurde. Dat lag niet aan Sartre. Hij heeft ons niet bedrogen. We hebben ons samen vergist.''

Olivier Todd geeft op 11 mei 20 uur een lezing in Maison Descartes te Amsterdam, tel. 020-5319500

Olivier Todd: Camus. Een leven. Vertaald uit het Frans door Marianne Kaas en Frans de Haan. De Bezige Bij, 860 blz. ƒ97,50

Parijs

    • Margot Dijkgraaf