Muzenbroeders in mingenot

Hij werd beroemd in het gehele geleerde Europa, hij stierf al op zijn 25ste, leek vergeten, maar herleeft nu – evenals zijn broers – in de vertalingen van zijn gedichten en brieven: de neolatijnse Nederlandse dichter Janus Secundus.

Mei noodt tot herdenken. Niet alleen sinds 1945. De zich hernieuwende kracht van de natuur wijst ons al veel langer, in de literaire traditie, op de menselijke sterfelijkheid. Daarom is onze dodenherdenking zo effectief, temidden van dat onbeschrijfelijk ontloken groen. Horatius, T.S. Eliot en Yeats hebben dit gegeven uitgewerkt in onvergetelijke poëzie. In dit eerbiedwaardig gezelschap hoort ook de Nederlandse neo-Latijnse dichter Janus Secundus (1511-1536) thuis. Dat is geen grap. Secundus was al kort na zijn ontijdige dood even fameus als voornoemde giganten, geprezen door Montaigne en Ronsard en later door Goethe.

In mei herdacht Secundus telkens plechtig zijn geliefde Julia en schreef dan een gedicht. Zijn eerste herdenkingselegie begint, in de versie van zijn lijfvertaler Jan Pieter Guépin, als volgt:

Zo komt de tijd weerom, het land herkrijgt zijn luister,

nu velerlei gewas uit volop zaad

ontspruit,

de ondergrond van 't groen gesluierd bos

wordt duister,

het nachtegaalgezang klinkt boven alles uit,

van briesjes trillend klaagt het lover dat de tijden

van groene overdaad niet blijvend zullen zijn

Een jaar later, in mei 1532, overtreft hij zelfs dit superieure begin:

De aanblik van de lucht, het zachte beeld van heel de

natuur, de grond die bont met bloemen is

gevlamd,

in 't donker bos het scherm van

hangendepriëlen,

het strelend briesje dat het groene lover

kamt,

in grotten satyrs met hun nimfen

neergevallen,

haar Zoon en Venus zelf zijn 't met me

eens dat thans

voor liefdes rite de termijn weer is

vervallen.

Dartelheid en esprit volgen in beide gedichten. Maar door de dartelheid heen voel je de melancholie der onvervuldheid. Zo hoort het in april en mei, wisten ook Eliot en Yeats.

De drie herdenkingselegieën staan aan het begin van een monumentale bloemlezing, compleet met Latijnse teksten, vertalingen, commentaar, begeleidende essays, een catalogue raisonné van de betrokken personen, afbeeldingen en een cd met voordracht en getoonzette motetten, die Guépin uit het werk van Secundus en zijn twee ook Latijn dichtende broers Grudius en Marius heeft samengesteld. Guépin publiceert al ruim 35 jaar over Secundus. In zijn moeilijk toegankelijke maar briljante De Kunst van Janus Secundus uit 1991 staan de Basia of `kusgedichten', de reden van Secundus' internationale roem, centraal. In Guépins bespreking van die Basia en omringende gedichten lag de nadruk op de poëtica van de Renaissance. Nu complementeert Guépin het beeld door vanuit biografisch perspectief te werk te gaan. Daarbij gunt hij ons een blik in de keuken van de dichter en de eendrachtige onderlinge samenwerking met zijn broers en intellectuele vrienden. De selectie van werk van Marius en Grudius naast dat van Secundus werkt verhelderend voor leven en poëzie.

Gemeenplaatsen

Alle neo-Latijnse poëzie berust op gemeenplaatsen. Dat wil zeggen op stukken en brokken citaat uit de antieke dichters waar de Renaissancedichters lego mee spelen, zoals de beeldend kunstenaars dat doen met brokken antieke sculptuur en architectuur. Het is het evenwicht van de uiteindelijke collage dat de kwaliteit van het werk bepaalt. Maar ondanks die gemeenplaatsen is de beeldende kracht en de aanschouwelijkheid van Secundus' poëzie (en het overgrote deel van Guépins vertalingen) opmerkelijk. Wat nu is de precieze relatie tussen Secundus' beelden en zijn werkelijkheid? Wat moeten we letterlijk nemen en wat niet? Prikte Secundus werkelijk gedichten op bomen in mei? Dansten werkelijk satyrs door het Mechelse bos? Nee dus. Maar er zit wel degelijke werkelijkheid in zijn poëzie. En ziedaar het belang van dit boek. Want Guépin geeft, dankzij zijn enorme vertrouwdheid met de stof en dankzij de documenten en realia, originele en stimulerende antwoorden op de vraag naar de relatie tussen Kunst en Werkelijkheid in de Renaissance. En tussen neus en lippen noteert hij een hilarische en tragische geschiedenis van talent, ambitie, integriteit, dwaasheid, mislukking en dood.

Secundus en zijn broers (er waren achttien kinderen) ontsproten aan de befaamde jurist Nicolaas Everaarts (1462-1532), van wie zij thuis goed Latijn leerden, en van wie zij ook chic verder mochten studeren. Hun vormende jaren spelen zich af in Vlaanderen, rond de opkomende bureaucratie van Karel V en zijn bestuurlijk en juridisch crisiscentrum. Ze zaten dicht bij het hof, maar net er naast. Om de rechtenstudie zou het moeten gaan, om daarmee te stijgen op de sociale ladder en raadsheer, of secretaris bij een groot patroon te worden. Maar het dichten in het Latijn raast als een obsessie door hun ziel, geïmpregneerd als die is met Catullus, Propertius en Ovidius. Zulke auteurs bestudeerden de broers als oefenstof voor correct Latijn. Maar de teksten gaan een eigen leven leiden en worden oefenstof voor hun leven, zoals dat gaat in de Renaissance. Ze zijn aan poëzie verslaafd. En het lieve leven wil ook wat: meisjes vullen de dagen, vooral die van Secundus, want Grudius is gelukkig getrouwd en Marius is wat te serieus.

Reislust

Vaak schrijven de broers brieven die ze later tot gedichten bewerken. In sommige gevallen zijn beide bewaard. En dan zie je hoe van een werkelijke gebeurtenis een poëtische gebeurtenis wordt gemaakt: wat niet uitkomt gaat er uit, wat geen poëtische precedenten heeft eveneens, het één wordt marginaal, het ander uitvergroot; een gebeurtenis doet aan een bestaand gedicht denken en zo ontstaat een variant; dan weer slaat de verbeelding toe die dingen laat gebeuren in de autonome wereld van de poëzie. Zo onstaat een spel dat alleen tot werkelijkheid te reconstrueren valt wanneer je veel gegevens uit die werkelijkheid hebt, en waarin de werkelijkheid uiteindelijk niet meer van belang is, omdat zij autonome, poëtische werkelijkheid geworden is. Maar te reconstrueren valt hij wel, en dat doet Guépin. Daardoor krijgen de Latijnse gedichten, die voor al te veel oppervlakkige beschouwers slechts uit uitgekauwde frasen bestaan en over niets lijken te gaan, de dimensie die het mogelijk maakt ze mooi en zelfs ontroerend te vinden.

Opvallend modern, is de internationale cultuur waarin de broers leven. Brieven gaan heen en weer tussen Italië, Spanje, Duitsland, Engeland en de Nederlanden, en de broers kennen en schrijven met of over vermaarde geleerden en kunstenaars, als Erasmus, Thomas More en Jan van Scorel. De Renaissance is een global village, waarin de besten roem kunnen vergaren ongeacht hun afkomst. Opvallend modern is ook de interdisciplinariteit van de broers, actief in de letteren, de beeldende kunst, de muziek, het recht, de politiek en het zakendoen. Opvallend modern is ook de reislust, die wel altijd functioneel is, op weg naar een betrekking of een studieplaats, maar altijd tijd inruimt voor het bezichtigen van bijzonderheden onderweg.

Die reislust leidt tot een van de vele hoogtepunten uit dit boek, namelijk de reisbeschrijvingen die eerst in klad genoteerd werden en pas later werden uitgewerkt, al dan niet in versvorm. Vooral Secundus toont zich in die beschrijvingen nog zo kwetsbaar, naïef, ontroerend onbewust van zijn gepriviligeerdheid en zo sensitief voor indrukken, dat hij werkelijk gaat leven voor de lezer. Men gaat te paard, luncht, wordt bijna beroofd, zoekt in elk dorp een priester op want die weten waar je lekker eten kan en waar de meisjes zitten, zet het op een drinken in de herberg, blijft te lang doorzakken en moet zonder slaap het paard weer op, valt er dan vanaf in de stront, ontmoet vrienden, vreemdelingen, avonturen, gaat wonderschone dingen zien en verveelt zich af en toe.

Dat laatste ontlokt Secundus een voor zijn ontvankelijke fantasie typerende mijmering: de bergen worden door dikke wolken omwenteld en `het lijdt geen twijfel of, als iemand op de top van de berg gezet zou worden, hij de wolken overal onder zijn voeten zou hebben en in de wolken gewikkeld door de wind weggedragen, zou hij weggevoerd kunnen worden en elders uitgeregend'.

De karakters van de drie broers komen haarscherp in perspectief te staan. Secundus is de aardigste en het meest begaafd. Marius een beetje saai – Guépin selecteert een illustratieve elegie waarin Marius vertelt eindelijk eens een afspraak met een dame in een grassige weide buiten de stadspoort te hebben gemaakt, waar zij natuurlijk niet op komt dagen. Hij wijt dat aan de spreekwoordelijke onbetrouwbaarheid der vrouwen, maar de lezer die hem inmiddels kent weet wel beter. Grudius is vreemd, sterk, zonder zelfkritiek, soms heel oprecht en soms heel ongegeneerd onoprecht, dol op zijn eerste vrouw, ontroostbaar na haar dood en daarna steeds meer onevenwichtig. Dit gebrek aan inschattingsvermogen leidt uiteindelijk tot een fatale investering die Grudius financiert met geld van derden. De zeepbel knapt en Grudius moet vluchten naar Venetië. Daar schrijft hij vlak voor zijn dood, oud, ontgoocheld en uitgeblust, zijn mooiste gedicht, één van de mooiste uit de bloemlezing. In een schitterende fusie van topiek en vorm uit Catullus bedankt hij een jonge metgezel in ballingschap voor de trouw die deze hem betoont. Hij wenst hem alle goeds en besluit dan, kijkend uit zijn raam naar een oude prostituee aan de overkant, met:

Dat nu wens ik je toe zolang ...

...de hitte nog zindert in je botten.

Maar voor mij, wien verstramd in koude grijsheid

wel de zin nog maar niet de kracht,

allang al

de vervliegende tijd heeft nagelaten,

zal voldoende en meer dan dat geweest

zijn,

als wie lijkt op mijn lang gestorven

Anna, (i.e.zijn eerste vrouw)

Cathrien aan het raam aan d' overzijde

– die haar kam door haar veile haren heentrekt,

welke als zij haar kruin beweegt zoet

flitsen –

mij mijn eerste geliefde in de geest brengt

zich verwaardigt de grijsaard toe te

spreken

zo een blik in een tikje scheelheid

gunnend.

De lezer zij gewaarschuwd dat `wien' in bovengenoemd citaat een dativus is. Daaruit blijkt dat je bij de vertalingen van Guépin soms het Latijn nodig hebt.Meestal is hij echter uitstekend te volgen, doorgaans inventief, soms ook saai (maar dat ligt dan aan de originelen). Zijn boek heeft de voor Guépin kenmerkende excentrieke opbouw, en vertoont in het proza ook de gebruikelijke warrige stijl en lichte monomanie, die de auteur in sommige kringen impopulair heeft gemaakt. Maar met de vaardigheid en de geleerdheid die hij in dit levenswerk heeft gegoten, bewijst hij de werkelijk geïnteresseerde lezer een onmetelijke dienst: inzicht in een aartsmoeilijke materie en genot van buitengewone poëzie. Hij bewijst ook de hem zo dierbare broers een grote dienst: want hij brengt ze zo na aan het hart, dat je ze na de lectuur gaat missen. Bovenal is dit geleerde werk, mirabile dictu, een spannend, geestig en aangrijpend boek geworden, zoals Guépin er nog geen geproduceerd heeft. Chapeau.

J.P. Guépin: De Drie Dichtende Broers: Grudius, Marius en Secundus; in brieven reisverslagen en gedichten. Styx Publications;2 delen, 892 blz. ƒ159,- incl. cd

Cultuurgeschiedenis