Mijn Huijsvrou

Ik woon op minder dan vijf minuten bij het Rembrandthuis in de Jodenbreestraat vandaan. Niet dat ik er dagelijks bij stilsta dat er drie van zijn kinderen tegenover mij in de Zuiderkerk liggen begraven. Maar toch... Grafjes die Onze-Lieve-Heer ondanks het bazuingeschal bij Zijn laatste oordeel niet open krijgt. De stadsvernieuwers van Amsterdam hebben tientallen gebeeldhouwde grafmonumenten en grafstenen van zijn tijdgenoten met beton dichtgewalst. Ik kwam er net langs, en ja hoor, er komt weer een verse, gewapende gekiezelde laag overheen. Dus de fans van Hendrick de Keyser, Sybrandt van Noordt, Thomas de Keyser, Ferdinand Bol, Blasius, Servaesz Nouts, Arend Fokke Simonsz., Andries Snoek, notabene toneelspeler, kunnen hun helden op Allerzielen niet met kaarsen en bloemen gedenken. Nee, nee.

De Hemony-klokken in de toren zijn dezelfde die hij in zijn laatste jaren in de Breestraat hoorde. Hij zal ze, net als ik, ook wel eens vervloekt hebben. Binnen een straal van vijftien minuten wandelen word ik links en rechts met onze grote meester geconfronteerd. Denk niet dat ik een bedevaartganger ben, dan zou ik immers waar ik woon wat Rembrandt betreft wel aan de gang kunnen blijven.

Hier vlakbij is de Nieuwe Doelenstraat waar hij woonde, daar ben ik nog niet zo lang geleden bijna van het leven beroofd, in elk geval van honderdvijfentachtig gulden, benevens van mijn rijbewijs en een fotootje van mijn geliefde toen ze nog heel klein was en onbedorven, precies zoals God het had bedoeld, maar goed... Rembrandt woonde in de Zwanenburgerstraat. Zijn Staalmeesters hing in de Staalhof in de Staalstraat. In de Waag op de Nieuwmarkt, het mooiste plein van Amsterdam, op de gruwelijke lantaarnpalen à 100.000 gulden per stuk na die eerdaags gelukkig weer door normale, fatsoenlijke grotemensenverlichting zullen worden vervangen, hingen zijn Anatomische Les-schilderijen. Dokter Tulp en dokter Deyman. Er woonden hier in de buurt veel arme en rijke joden, vrienden van de meester, die hij etste, tekende en waarvan hij schilderijen maakte. Tot op de dag van vandaag is de Nieuwmarktbuurt een buurt van een apart slag gebleven. Hartelijke mensen waar je je net als Rembrandt bij thuisvoelt. Hallo buur. Ik ben misschien een ouderwetse zeur maar hou nu eenmaal van lief.

Het verhaal gaat dat toen Rembrandt na zijn faillissement bij mij uit de buurt moest en naar de Jordaan ging verhuizen, een hele nieuwe stadswijk, hij van alles en iedereen was verlaten en een soort paria werd, een outcast. Hij zou er zijn verkommerd van eenzaamheid. Onzin. Hij had een mooie, twintig jaar jongere vrouw Hendrickje, hun beider dochter Cornelia en natuurlijk zijn zoon Titus, van Saskia. In zijn directe omgeving woonden toch gauw een stuk of tien, twintig schilders. Er zaten kunsthandelaren. Er woonden dichters. Hij zocht die heus wel op of trof ze met Hendrickje Stoffels in een van de kroegen.

Hij maakte het ene na het andere schilderij. Hij hoefde zich niet meer om zijn maatschappelijke status te bekommeren, maar bleef soeverein en volledig bewust van zijn kunstenaarschap. Ik denk zelfs dat hij zich die hele ellende in de Breestraat onbewust op de hals heeft gehaald om daar aan de Rozengracht zijn eigen gang te kunnen gaan. Ik hoor de kunsthistorici al knarsen, maar ik weet zeker dat Jan Wolkers het met mij eens is, lees zijn Rembrandt-boek maar.

Zijn roem groeide bij het stijgen der jaren tot ver over de grenzen. Rembrandt had een gezonde, egoïstische inslag. Hij werd 63 jaar, voor die tijd een hoge leeftijd. Hij heeft ze bijna allemaal overleefd. Saskia en haar hummeltjes, Hendrickje, Titus en waarschijnlijk Geertje Dirkx, zijn bijzit uit de Breestraat die hij omwille van Hendrickje in het Spinhuis in Gouda liet opsluiten.

Wat neem ik mee van Rembrandt naar het beruchte onbewoonde eiland? Het moet in mijn hutkoffer passen die ik van een Groningse oudoom heb geërfd. Het is een zilverstifttekening die hij van Saskia maakte op de 8ste juni 1633, waarschijnlijk in Friesland. Ze waren net getroudt, dat wil zeggen verloofd. Ze hadden de hele warme voorjaarsmiddag door de weilanden gelopen. Saskia had bloemen geplukt. Pinksterbloemen, madeliefjes, roosjes, speenkruid en die om haar strohoed gevlochten. Toen ze thuiskwamen, zat van liefde die ze daar bedreven in het sappige gras, maakte Rembrandt de tekening. Hij schreef er vol trots onder dat ze van hem was. Mijn huijsvrou. Toen ze dood was en in haar eigen graf in de Oude Kerk werd begraven, verkocht hij dat later en zo kwam zijn huijsvroutje mooi in een massagrafje te liggen waarin hij en Titus ten slotte een jaar of wat later ook in terechtkwamen. Weliswaar een beetje uit elkaars buurt, maar wat stellen een paar grachten voor als het om de dood gaat? Tenslotte hadden ze die leuke middag in Friesland gehad waaraan wij lekker nog die mooie tekening hebben overgehouden. Ars longa, vita brevis. Zo is het maar net.

Ik dool me suf door de immense Galleria degli Uffizi in Florence. Ik heb mezelf volgepropt met Lippi, Botticelli, Vasari en Tintoretto en hoe heet die andere man ook al weer met die heel erg roomse schilderijen? Ik kan niet meer.

In een van die zijvertrekken kom ik hem tegen, onze Rembrandt. Twee zelfportretten en een schilderij van een oude man. Drie heren kijken me berustend maar ook verwonderd aan: wat doe jij hier?

De volgende dag neem ik de spoortrein en ga terug naar Amsterdam. Een dag later sta ik voor ons Joodse Bruidje en pak ondanks de drukte ook nog even de Nachtwacht. `t Is voorjaar. Weet je wat ik ga doen? Morgen ga ik met mijn meisje dat nu al jaren groot is, naar Friesland. Soppen door de weilanden. Ik ga pinksterbloemen plukken en dotters en madeliefjes, dan mag ze er zelf een krans van maken voor op die lachende en gelukkige kop van haar.