Herdenking

Omdat de drukte op de Dam bij de dodenherdenking zo ondoordringbaar kan zijn, besloot ik het eens te proberen op de Noordermarkt in de Jordaan. Per slot van rekening is dat een historische plek geworden in onze geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, doordat de stratenmaker Willem Kraan en de stadsreiniger Piet Nak er op 24 februari 1941 de Februaristaking afkondigden. Elk jaar heeft er een dodenherdenking plaats voor de Noorderkerk, waarbij de Last Post vanaf de kerktoren wordt geblazen.

Met zo'n 150 bezoekers werd het een kleine, intieme plechtigheid waar niets bijzonders voorviel, afgezien van een merkwaardig tafereel in de periferie van de gebeurtenis. Daar stond een klein terras, horend bij een café aan de overkant van de straat. Het terras grensde aan de Noordermarkt en de terraszitters bevonden zich daarom op slechts enkele meters van de bezoekers van de dodenherdenking.

Het waren er drie: twee jongens en een meisje van voor in de twintig jaar. Ze droegen vrijetijdskleding en waren verwikkeld in een geanimeerd gesprek. Hun stemming was meer dan voortreffelijk. Ze hadden kennelijk een vrolijk dagje Amsterdam achter de rug en ze deden zich nu te goed aan een stevige portie frites en een heerlijk goudblond pilsje. Het zal niet eens zo gemakkkelijk zijn geweest om zich voor elkaar verstaanbaar te maken, want vlak achter hen speelde de Drumfanfare Almere uit volle borst U zij de Glorie en Belcanto Ouverture.

Het was inmiddels bijna acht uur geworden en de mannen van de fanfare hielden op met spelen en ontblootten hun hoofd. Daar weerklonk de Last Post over een indrukwekkend stille Jordaan, gevolgd door de twee minuten stilte. Alleen een huilende baby in de draagzak van een vader verbrak en accentueerde even de gewijde stilte.

Op de drie terraszitters maakte dit alles hoegenaamd geen indruk. Zij bleven met de rug naar de plechtigheid gekeerd niet zozeer uit balorigheid, alswel uit totale onverschilligheid. Bovendien waren de bakjes frites nog lang niet leeg.

Vermoedelijk hadden ze geen enkel idee van wat hier gaande was. Misschien zagen ze ons maar als een zonderling gezelschap, leden van een of andere obscure sekte die zich aan een raar, meditatief ritueel overgaven. Halvegaren eigenlijk, waar je niet te veel op moest letten, anders gingen ze zich nog aan je opdringen. Op weg naar huis of hotel zouden ze straks tegen elkaar zeggen: wat was dat toch voor een gedoe met die trompet waarom moest het zo hard?

Ik voelde een ontembare nieuwsgierigheid opkomen. Waren dit buitenlanders of Nederlanders? Ik zag hen met elkaar praten, maar kon hen niet verstaan. Terwijl de drumfanfare met stille trom het plein verliet, liep ik op de tafel van de drie af. Een van hen zat aan de laatste frietjes te knabbelen, de restjes die al slap en ranzig waren geworden van de mayonaise.

Ze spraken gewoon in de taal van mijn moeder.