Gif tegen de sterfelijkheid

Opvallend kun je de poëzie van Hester Knibbe niet noemen. Zij schrijft onnadrukkelijke, weinig lyrische gedichten, waarin tafereeltjes en kleine gebeurtenissen in weloverwogen woorden gestalte krijgen, waarbij ze zich veel van binnenrijm en klankrijm bedient. Een dunne duurzaamheid, haar vijfde bundel is hierop geen uitzondering.

De titel is ontleend aan het gedicht `Qin Shi Huangdi', uit een reeks naar aanleiding van de meer dan duizend lemen beelden, een opgegraven leger onder leiding van deze Qin. Denk ik, want ik heb het niet uitgezocht omdat je poëzie beter met een goed humeur kunt lezen dan haar met een encyclopedie te lijf gaan. Qin is aan het woord: `Ik zie / de dunne duurzaamheid van dynastieën, weet // mij verbonden met besneeuwde / passen.'

Ja, alles gaat voorbij, maar iets toch blijft, wil de `dunne duurzaamheid' waarschijnlijk uitdrukken. Het is een wat afstandelijke constatering, die al wordt aangekondigd in het openingsgedicht, `Mummie'. `Een lief ligt in de vitrine.' begint het, en de slotregels luiden: `() Ik spin en weef wel in de geest / een windsel voor hem van nieuw vlees.' Het zijn onze herinnering en verbeelding, die als dunne duurzaamheid de vergankelijkheid kunnen attaqueren.

Niettemin staat er in deze bundel één afdeling gedichten die de vlakheid van Knibbe's poëzie op de helling zet. Hier figureert, al staat het er een fractie minder expliciet, een zoon met hersentumor. Een link onderwerp, want sentiment ligt op de loer. Maar in deze verzen zit een soort stevigheid die de naam van de reeks rechtvaardigt: Antidood, een neologisme dat ongetwijfeld ook verwijst naar het woord antidotum, tegengif, een tegengif namelijk tegen sterfelijkheid, tegen de dood. Het begint zo:

De kroonprins van een oud geslacht

wordt plots van woekeren verdacht;

deling te veel, vermenigvuldigingen die

zich verdichten tot een nevel

Enkele gedichten later zie je de bijna fysieke vereenzelviging van een moeder met haar zoon: `Vlees van mijn vlees; m'n adem / stokt als ik hem zie. Ik adem toch met tegenwind, ik adem adem // met hem mee, m'n hart spant zich rondom zijn hart / en pompt en pompt.' Hier werken herhaling en rijm in al hun simpelheid uiterst effectief, zodat je als niet geheel ongevoelige lezer je op je beurt identificeert met zoon en moeder.

In deze poëzie schuilt verwantschap met Esther Jansma, al schrijft die robuuster en minder conventioneel. Ook moet ik denken aan Vasalis. Of komt dat alleen door het gedicht `Onderweg', waarin gezichten in ramen van de metro verschijnen zodat je onvermijdelijk denkt aan haar bus in het donker op de afsluitdijk?

De gedichten uit Antidood hebben een gunstige uitwerking op de andere in de bundel: zo'n mummiegedicht wordt minder gratuit en die verzen over dode Chinezen en hun wijsheid misschien ook, al blijft hier de twijfel bij me vreten. Opmerkingen als `dat tijd niet meer is / dan een stempel' of `verandering is er altijd / geweest' zijn voor mij wezensvreemd aan de poëzie, al ontstaat door het afbreken van de regels enige dubbelzinnigheid. Of mis ik hier iets? Uit schuldgevoel dat ik de encyclopedie niet had doorgevlooid sla ik de I Ching, het boek der veranderingen op, waarin je, als je `de rechte man' bent, altijd iets vindt dat van belang is. Er staat: `Kijk eerst de woorden eens aan, / Bezin je, wat zij beduiden, / Dan komen de vaste regels aan het licht. / Doch ben je niet de rechte man, / Dan openbaart zich aan jou niet de zin.'

En terwijl ik mij bezin en me afvraag of de zin zich aan mij openbaart, rest enige gramschap over de Anna Enquist-achtige neiging van Knibbe om de gedichten emotioneel op spanning te brengen met woorden als `schril', `keihard', `paniek' of `niet / gestikt in alle woede van de aarde'. Daar staan echter goede regels tegenover, zoals de vraag aan dat in zandsteen uitgehakte lezende meisje:

() En hoe ontcijfer je

al dat toevallige

leven dat destijds over je

kroop toen je nog niet

gebeiteld zat als meisje

met boek op haar schoot?

Hester Knibbe: Een dunne duurzaamheid. De Prom, 75 blz. ƒ29,95

Nederlandse literatuur

    • Maarten Doorman