Eigendunk nog steeds troef in de geschiedenisboekjes

Grote groepen zwarte leerlingen krijgen op middelbare scholen wel geschiedenis, maar vinden weinig tot niets over hun eigen geschiedenis terug in het lesmateriaal. Dat is nog steeds nationaal getint. Een meer `inclusieve' geschiedschrijving is nodig om maatschappelijke gezamenlijkheid dichterbij te brengen, menen Alex van Stipriaan Luïsciusen Thijl Sunier.

Onderwijs in nationale staten zoals Nederland en andere West-Europese landen is een middel waarmee deze staten hun (jonge) inwoners tot burgers opvoeden. Via het Nederlandse onderwijscurriculum wordt leerlingen geleerd wat de maatschappij van hen als burgers verwacht. Het vak geschiedenis is daarvan een essentieel onderdeel. Geschiedenisboeken behandelen wat relevant wordt geacht en laten weg wat niet relevant wordt geacht. Ze geven daarmee een selectieve kijk op het verleden, heden en toekomst van een natiestaat. Geschiedenis is dus niet een neutraal doorgeefluik voor `objectieve' feiten, maar weerspiegelt wat de natie wil zijn, hoe ze gezien wil worden.

Volgens Paul Scheffer (Opiniepagina van 29 januari) is er weinig aandacht voor het Nederlandse erfgoed in het geschiedenisonderwijs. Dit is volgens hem het gevolg van goedbedoelde, maar onwerkbare pogingen de samenleving een multicultureler karakter te geven, maar vooral van de wijze waarop in Nederland wordt omgesprongen met het eigen verleden. ,,We slaan onszelf op de nationale borst omdat we denken er geen te hebben'', betoogt hij. Toch blijkt het geschiedenisonderricht in Nederland wel degelijk nationaal gericht te zijn en de trots daarop is impliciet ingebouwd. Achter de schijnbaar neutrale beschrijvingen van geschiedkundige feiten en gebeurtenissen zowel in binnen- als buitenland, gaat een nationaal zelfbeeld schuil.

Als gelet wordt op het vak geschiedenis op middelbare scholen, blijkt dat de Nederlandse geschiedopvatting allerminst is gespeend van eigendunk. Hier gaat het echter niet om een universeel megaverhaal, maar een geschiedenis van `kleine gebaren en stappen'. Een geschiedenis van vallen en opstaan, onderhandelen en vooruitkijken. Een geschiedenis van democratie, onderhandeling en insluiting, kortom: het poldermodel.

Nederland wordt doorgaans voorgesteld als een denkbeeldig eiland waar de ontwikkelingen betrekkelijk weinig van doen hebben met de rest van de wereld. ,,Hoe komt het'', zo staat in een van de boeken, ,,dat ons de bomsplinters niet om de oren vliegen als we de voordeur verlaten zoals in Noord-Ierland of Kosovo?'' Dan volgt een uitleg waarin Nederland wordt voorgesteld als een natie die vreedzame coëxistentie en tolerantie altijd hoog in het vaandel heeft staan. Daar waar `wij' te maken hadden met oorlog en geweld, kwam dat altijd van buiten. Binnen Nederland, dat van handel moest leven, was tolerantie jegens en onderhandeling met andersdenkenden een noodzaak, ja zelfs een overlevingsstrategie.

Dit zelfbeeld komt terug als in het lesmateriaal wordt gesproken over allochtonen. In de maatschappijvakken op middelbare scholen wordt naar verhouding veel aandacht gegeven aan multiculturalisme, migratie en islam, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk. Op scholen te onzent is apart lesmateriaal ontwikkeld over migranten. Als het gebruikte onderwijsmateriaal wordt geanalyseerd, dan blijkt daaruit dat dit geenszins ten prooi is gevallen aan goedwillende multiculturele richtingloosheid. De wijze waarop onderwerpen gepresenteerd worden, weerspiegelt het duidelijke en coherente zelfbeeld over de Nederlandse natiestaat.

Centraal daarin staat ten eerste het gelijkheidsbeginsel. Dat wordt gepresenteerd als een beginsel dat de Nederlanden al eeuwen kenmerkt. Hetzelfde geldt voor de tolerante houding van `ons' volk jegens andersdenkenden. Er wordt verwezen naar de vluchtelingen die in de afgelopen eeuwen onderdak in Nederland zochten en kregen, maar ook naar de verzuiling als boegbeeld van de Nederlandse veelvormigheid.

`Wij' hebben andersdenkenden altijd een volwaardige plaats gegeven. Het is de mythe van de liberale pluriforme natiestaat die hier gepresenteerd wordt. En daar zit het probleem. Die staat heeft nooit bestaan en dat soort geschiedenis is een mythe. Of liever, het is maar één kant van die staat en het is maar één deel van het historisch verhaal. Dat is ook niet zo gek, want nationale geschiedenis is bijna per definitie eenzijdig omdat het de geïsoleerde `wij' centraal stelt. Het probleem is dus ook niet, zoals Scheffer stelt, dat een historisch `wij' door postmoderne historici als een onmogelijkheid wordt voorgesteld, omdat je anno nu niet (meer) kunt zeggen ,,dat `wij' om Kaap de Goede Hoop naar de Oost zijn gevaren''.

Het probleem is dat bij iedere wij een zij hoort en dat nationale wij's per definitie exclusief zijn en zij's buitensluiten. Zo bestonden die nationale historische `wij' vooral uit Grote Mannen, vrijwel nooit uit vrouwen en was ervoor de één een protestantse `wij' en voor de ander een katholieke `wij' in de geschiedenis. Natuurlijk hebben wij een nationale geschiedenis en nationaal cultureel erfgoed, maar dat is wel tot stand gekomen dankzij heel veel zij's. Een moderne nationale geschiedenis zal dus veel meer inclusief moeten worden wil zij geloofwaardig zijn voor alle inwoners van dit land. Dat betekent naast aandacht voor het moois dat tot stand is gekomen, zeker zoveel aandacht voor de nooit geschreven of uitgescheurde bladzijden uit de geschiedenis. Voor al datgene waardoor `wij' net zo goed gevormd zijn en waar eerder nationale bescheidenheid dan nationale trots past.

Waarom moet wel gesproken worden van `wij' als het gaat over tolerantie ten aanzien van religieuze vluchtelingen of een humanistische traditie, en geldt dat `wij' niet meer als het gaat over slavenhandel of de politionele acties in Indonesië. In dat geval blijken altijd `zij's' opgevoerd te worden die veel erger waren, en `wij' die het ook niet konden helpen.

Uit een kleine steekproef onder zes van de meest gebruikte series geschiedenisboeken op de middelbare school blijkt in drie aandacht besteed te worden aan de Nederlandse slavernijgeschiedenis en in de andere drie niet of nauwelijks. In een van die drie wordt wel uitgebreid ingegaan op de slavernijgeschiedenis van de Verenigde Staten. Wat de effecten van de slavernij zijn geweest voor Surinamers, Antillianen en Arubanen, West-Afrikanen en Nederlanders wordt al helemaal niet behandeld. Er zijn dus grote groepen zwarte leerlingen in Nederland wier geschiedenis en historische trauma's nog steeds geen plaats krijgen in het nationale geschiedverhaal zoals dat door de schoolboekjes wordt gepresenteerd.

Mede onder invloed van de vrouwenbeweging, de arbeidersbeweging en de Derde-Wereldbeweging wordt, vergeleken met een halve eeuw geleden, al veel meer `inclusieve geschiedschrijving' bedreven, en is al een deel van de geschiedenismethodes in het onderwijs daarin meegegaan. Dáár ligt de toekomst voor het creëren van maatschappelijke gezamenlijkheid en niet in de exclusiviteit van een nationale borst waarop `we' zouden moeten slaan.

Prof.dr. Alex van Stipriaan Luïscius, hoogleraar Geschiedenis van Niet-Westerse Samenlevingen, en dr.Thijl Sunier, onderzoeker geschiedenis van natievorming en multiculturalisme, zijn beiden werkzaam aan de Faculteit Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit.

    • Thijl Sunier
    • Alex van Stipriaan Luïscius