Een doorgewinterde Zwitser

Zwitserland is een probleem. Voor wie dat te provocerend klinkt: het is een probleem in de boeken van Hugo Loetscher, de kritische Swiss-watcher uit Zürich die onlangs zeventig is geworden en om die reden door zijn publicerende landgenoten ruimhartig in het zonnetje is gezet. Onder intellectuele Eidgenossen geldt Loetschers kosmopolitische instelling, uiting van zijn ongeëvenaarde reislust, als heilzaam, als een gezonde correctie op de beperkte blik van de doorsnee-Zwitser. Over het werkelijke bestaan van die doorsnee-Zwitser valt lang te twisten maar in Loetschers oeuvre ís hij er, dit op orde en traditie hamerende schepsel dat in het nieuwe allereerst het vreemde en bedreigende ziet.

Hij staat er een beetje armzalig bij, een stugge en bangelijke figuur, schril contrasterend met de interessante personages uit alle hoeken van de aarde die de auteur laat opdraven bij de verslagen van zijn vele reizen. Vermakelijk is de verzameling columns die Loetscher onder de titel Der Waschküchenschüssel, oder: Was – Wenn Gott ein Schweizer wäre uitbracht (1983). Hierin presenteert hij het land van Heidi en Geiten-Peter als een beklemmende omgeving; zonder het te beseffen overtreedt zelfs de meest welwillende nieuwkomer er aan de lopende band regels en tradities die voor de inheemse bevolking het alfa en omega van het samenleven zijn. Badinerend laat de scribent zien welke les de autochtone Zwitser uit die zogenaamd consequente fixatie op het echt-Zwitserse zou moeten leren. Strikt genomen zou de hele bevolking moeten emigreren en het land leeg achterlaten, daarmee de oorspronkelijke situatie herscheppend. Want wat is nou eigenlijk inheems, vraagt Loetscher. In feite is het chocolade-, kaas- en koeiebellen-Zwitserland een product van eeuwenlange immigratie, zowel van planten en dieren als mensen. En het is de immigratie die het land een gezond kleurtje op de wangen gaf.

Ja, Zwitserland is klein, `maar groot genoeg om er niet uit te komen'. Dat schrijft Hugo Loetscher in zijn nieuwe roman, het melancholieke terugblikboek Die Augen des Mandarin, een boek waarin meneer Past aan een Chinese mandarijn zijn levensgeschiedenis vertelt in een poging met zichzelf in het reine te komen. Meneer Past lijkt veel op Hugo Loetscher. Hij is een globetrottende Zwitser. En hij is een oude man die zich realiseert hoe vluchtig het leven voorbij is gegaan, hoe het hem als zand door de vingers geglipt is.

Zijn ervaringen in de wijde wereld zouden hem kunnen helpen bij het begrijpen van zijn land en identiteit, maar helaas, er komt geen schot in de zaak. Een ander hulpmiddel: de blik vanuit de vreemde cultuur. Het zijn de ogen van de mandarijn, dat weet Past zelf heel goed, die hèm de ogen zouden kunnen openen voor het gesloten bastion van zijn eigen persoon, zijn vertwijfeld grootheidswaanzinnige Zwitserleven-ik. Maar ondanks al het gedraai om de mandarijn heen leidt diens inbreng tot weinig meer dan een vrolijke noot. Hij probeert bijvoorbeeld het beruchte Chuchichästli (keukenkastje) uit te spreken, wat onder veel Zwitsers als dé testcase voor beheersing van het Zwitserduits geldt. Dat grapje is echter nogal belegen en de mandarijn blijft een kunstmatige figuur, voor een omvangrijke roman als deze van een hinderlijk schimmig gehalte. En Past zelf, met zijn opgelegd sprekende naam, is en blijft een man van flarden. Hij herinnert zich de vrienden uit zijn verleden, het kind dat hij had bij een oosterse vrouw, zijn talloze reizen in opdracht van een obscuur wetenschappelijk instituut – én zijn land van herkomst. Pas wanneer dat ter sprake komt wordt zoiets als bevlogenheid voelbaar.

Met Pasts jeugd in Zürich keert Loetscher terug naar zijn eigen geboortegrond. Dat zijn de proletariërswijken bij `de mindere rivier van Zürich', de Sihl. Die wortels ontblootte hij al in 1964, in Die Kranzflechterin, zijn tweede en nu vertaalde roman. Anders dan in zijn latere, vaak slobberig gestructureerde fictie beperkt Hugo Loetscher zich in De kransvlechtster tot één onderwerp, de biografie van een vrouw uit de bezitsloze klasse, die een zekere welvaart weet te bereiken dankzij haar liefde voor de dood. `Iedereen moet een krans krijgen', zegt Anna, de kransvlechtster, en in die behoefte wil zij graag voorzien. Zijdelings duikt reeds het thema van de vreemdeling op, want Anna is uit Duitsland komen aanwaaien, wat niet aan het scherpe gehoor van de Zwitsers ontgaat. Bovendien houdt zij zich, o schande, staande zonder echtgenoot maar met een vrijer plus een van wanten wetende dochter, en zo poseert Loetschers heldin als eerste BOM-moeder van gans Helvetia.

De kransvlechtster is het product van een doorgewinterde journalist. Een achtergrond die waarborgt dat de bladzijden vakkundig worden volgeschreven maar die tevens de zwakke plek van de romancier Loetscher is. Zijn verteller, zowel hier als in recenter episch werk, strooit gul rond met kennis van allerlei ambachten. Dat wijst op een brede belangstelling maar er valt ook de onzekerheid aan af te lezen van de krantenman die – gebruik in het metier – zich in een onderwerp verdiept zonder er werkelijk in thuis te raken. Er wachten nu eenmaal andere klussen en deskundigheid wordt voorgewend door het opsommen van een hele hoop namen en feiten. Een karrevracht aan symboliek moet voor de verdieping zorgen. Een krans is rond, hoor je de schrijver van Die Kranzflechterin hardop denken, en aan beide uiteinden van het leven is er dat griezelige niet-zijn. Dus sterft Anna in een mooi rond verhaal temidden van haar zelfgevlochten afscheidshoepels. Het is alsof het gekoketteer met de vorm Loetschers laatste krachten vergde; het verhaal is voorspelbaar en eigenlijk vooral een demonstratie van heemkunde.

Net als het Alterswerk over de ogen van de mandarijn bevat De kransvlechtster een handvol simpele tegenstellingen en wat leuke zinnetjes. De zinnetjesmaker die de columnist Loetscher in diepste wezen is stelt zelden teleur, maar de lof ervoor kan bescheiden zijn. `Anna dacht aan de gelijkheid voor de dood, aan de broederschap op het kerkhof en ze droomde: sterfelijken aller landen, verenigt u.' Dat is aardig, want Anna, de niet in politiek geïnteresseerde handarbeidster, slijt haar dagen temidden van sociaal onrecht, in een te snel groeiende stad aan het begin van de twintigste eeuw. Gezien haar afkomst zou ze het communisme kunnen aanhangen, maar het is leuker dat Loetscher haar vertrouwen schenkt in de politici: die roepen om de zoveel tijd een oorlog uit. Niet gek voor iemand die het van de hoogconjunctuur van het sterven moet hebben.

Hugo Loetscher: Die Augen des Mandarin. Diogenes, 376 blz. ƒ59,90

Hugo Loetscher: De kransvlechtster. Uit het Duits vertaald door Wil Boesten.Atlas, 191 blz. ƒ34,90

Buitenlandse literatuur

    • Anneriek de Jong