Een blos van kersenbloesem

De deur uit, hardlopen, jezelf verliezen. Of juist vinden. Wat is er met de Zen van het rennen gebeurd?

Zapdansen 34

Het begint al bij het omkleden. Op klaarlichte dag sta ik opeens in mijn onderbroek (heel even het besef hoezeer je overeind gehouden wordt door de stugheid van stof, een strakke riem, het schuren van een boord) – te bleek, te oud, te moe. Ik schiet een trainingsbroek aan, T-shirt, gympen, zucht diep als in gebed. Als de deur achter me dichtslaat, heb ik het gevoel of ik op straat sta in mijn pyjama.

Er zit niets anders op dan maar direct te beginnen met lopen, ik bedoel: lopen (`loop jij, nee: loop jij?' als in `rook jij, nee ik bedoel: rook jij?'). De eerste tien, twintig, misschien zelfs wel tweehonderd meter voelt het als een bevrijding, alsof ik ontsnapt ben uit de houdgreep van het dagelijks leven. Alsof ik door mijn eigen tempo ten opzichte van mijn omgeving te verhogen niet meer onderworpen ben aan de wetten van die omgeving – inclusief die van tijd en ruimte. Denk aan het doorbreken van de geluidsbarrière (je eigen woorden die in lange slingers achter je aan wapperen), denk aan de kleine Forrest Gump die, door pestkoppen achternagezeten, de ijzeren klemmen van zijn misvormde beentjes rent.

Heel even, twee straten en een half plein lang, doe ik het onmogelijke: ik ben op twee plaatsen tegelijk aanwezig (waar ik nu ben en waar ik zou zijn als ik gewoon zou hebben gelopen), ga terug in leeftijd door sneller vooruit te gaan. En dan slaat het noodlot toe.

Ik begin te denken, of liever gezegd: iets of iemand in mij, voor mijn part de duivel van mijn luie gestel, wakker geschud door al deze activiteit, begint dingen tegen mij te roepen als: Hallo zeg, waar gaan wij zo snel naartoe? Maak jezelf toch niks wijs. Je weet toch dat er verderop niets of niemand wacht. En bovendien: je bent veel te zwak om jezelf pijn te kunnen doen.

In een handomdraai is het gevoel van verlossing veranderd in het gevoel ernstig in de steek gelaten te zijn. De huizen, de bomen aan de gracht en zelfs de auto's die mij kort daarvoor nog allemaal langs de kant stonden toe te juichen wenden zich nu één voor één vol misprijzen van mij af. De straat erodeert onder mijn voeten tot een woestijn – waar niets meer wil groeien, niemand meer wil zijn.

Zen

Over de eenzaamheid van de lange afstandsloper gesproken, om nog maar te zwijgen van zijn huilerigheid op de korte baan. Wat is er met de Zen van het rennen gebeurd? Die door anderen zo vaak geroemde meditatieve toestand waarin het ego glimlachend verdampt in de cadans van het lopen. Weg, met de wind mee.

Nog voor ik de gekrulde ijzeren hekken van het park heb bereikt, keer ik om en sjok terug naar huis, waar ik op de bank onderuit ga met een beduimeld exemplaar van Hagakure. De avond tevoren was ik naar Ghost Dog geweest, de nieuwe film van Jim Jarmusch, waarin Forest Whitaker een eenzame huurmoordenaar speelt die leeft en sterft volgens de in dat geschrift vastgelegde gedragscode van de Japanse samoerai. Een uit het begin van de achttiende eeuw stammend boek dat in de Tweede Wereldoorlog gebruikt werd om de kamikaze-piloten voor te bereiden op hun fatale missie en bovendien tot de favoriete lectuur behoorde van de Japanse schrijver Yukio Mishima die zich in 1970 door middel van harakiri van het leven heeft beroofd.

De Engelse vertaling van de eerste regel van Hagakure ken ik al jaren uit mijn hoofd: I Found That The Way Of The Samurai Is Death. Krachtige taal, een tatoeage waardig. Ik word er altijd erg vrolijk van. Vanwege de onverbiddellijkheid, de plompverloren waarheid die erin besloten ligt, vanwege de korte metten met al het gelul in de wereld en – dat vooral – vanwege het giechelige besef dat je als niet-samoerai alleen nog maar tekort kunt schieten. En dat is ook weer een hele opluchting.

Om misverstanden te voorkomen – en Mishima legt dat in zijn commentaar op Hagakure wel tien keer uit – bedoeld wordt niet dat de samoerai, als archetypische man-van-de-daad, lekker veel dood en verderf dient te zaaien. Integendeel. Het gaat hier om zijn eigen dood – om die niet als probleem te zien, als ongezellige spelbreker, maar als uitgangspunt en als vriend. Een natuurlijke impuls en wijze raadgever die over onze vrijheid en onze gezondheid waakt. Zonder de dood zou alles vormeloos zijn, eeuwig onaf en veronachtzaming van haar angel in onze ziel leidt tot wapengekletter in de nacht.

De dood als finishing touch, zo moet je het zien: een aansporing om nooit genoegen te nemen met minder dan honderd procent. Ook daar kan Jocho Yamamoto, de priester-samoerai wiens woorden later door een monnik in Hagakure werden opgetekend, kort over zijn. `In a fifty-fifty life or death situation, simply settle it by choosing immediate death. There is nothing complicated about it. Just brace yourself and proceed.' Een passage die voor de samoerai aanleiding was ervoor zorg te dragen dat hij altijd en overal een klein potje rouge bij zich had - `men must be the colour of cherry blossoms, even in death' - maar die je ook kunt lezen als advies om je bij belangrijke zaken niet bezig te houden met kansberekening of effectbejag, maar alleen met hoe je iets doet. En dan is er maar één optie: steeds alles op het spel zetten.

Daar ben ik geen held in, bedenk ik, terwijl ik Hagakure dichtsla en overeind kom. Voor mij is elke situatie een `fifty-fifty situation' en als hij dat niet is, maak ik het ervan – leven en dood moeten maar even wachten. Heb ik dan al eens een keuze kunnen maken, blijf ik nog twijfelen. Het gemok over het verlies van wat ik niet gekozen (en dus verloren) heb blijft altijd minstens even sterk als het gevoel van geluk over wat ik wel heb behouden. Zo loop ik mijzelf voortdurend voor de voeten en dat is niet handig wanneer je probeert te gaan lopen.

Spitsuur

Dan maar een eindje rijden. De stad uit is geen probleem, maar terug op de ringweg word ik overvallen door het spitsuur. Het is inmiddels donker en ik word half verblind door de dichte stroom koplampen. Bovendien moet ik opeens zien om te schakelen van de bedwelmende monotonie van de snelweg naar het staccato zigzaggende verkeer van nabij de stad. Straks mis ik mijn afslag nog.

Een half uur eerder had ik, Hagakure indachtig, een cassette opgezet van Thelonious Monk wiens pianospel nou eenmaal de volmaakte eenheid van actie en meditatie belichaamt, van wu en wu-wei. Zoals een kat soms met een muis kan spelen – door er steeds even afstand van te nemen en er rustig, bijna lodderig, naar te gaan zitten kijken om dan opeens, pats, en nog eens, pats pats pats, toe te slaan en vervolgens weer los te laten – zo speelt Monk op zijn piano. Zijn ogen zijn geloken alsof hij ingespannen zit te luisteren naar iets wat hem in de hemel wordt voorgespeeld, de golfslag van een binnenzee – maar voor hetzelfde geld is hij al half in slaap – en zijn handen blijven steeds even boven de toetsen heen en weer zweven voor ze resoluut neerdalen op de noten die zich eronder proberen te verschuilen. Plink-ploink. Plink-plink-plink...ploink! Ze komen altijd onverwacht, zijn aanslagen, maar precies op het juiste moment, hypermodern-gevoelig en tegelijk zo huiveringwekkend oud als fossielen.

Op het moment dat mijn afslag in zicht komt bevind ik mij nog op de meest linkse van de vier bumper aan bumper gevulde rijstroken en ik verkeer bovendien nog steeds in Monks droomtijd – maar dat blijkt in orde. Ik kijk over mijn schouder, schat de snelheid van mijn medeweggebruikers in, geef een dot gas, een ruk aan het stuur en zit in de volgende rijbaan. Even remmen, en dan direct weer kijken, inschatten, gassen en hop, ik ben weer een baan opgeschoven, en zo verder tot ik, zonder ook maar de minste rimpeling te hebben veroorzaakt, mijn afslag opschiet. En niet alleen heb ik ondertussen geen noot van Monks solo gemist, een deel van mij heeft mij dit alles ook nog eens allemaal tegelijk zien doen.

Nou vraag ik je. Rijd jij of rijd ik, ik bedoel: rijd jij of rijd ik?

De duivel van

mijn luie gestel roept:

Hallo zeg, waar gaan wij

zo snel naartoe?

    • Roel Bentz van den Berg