De lezer mag het zeggen

Proefschriften zijn vaak zo vervelend om te lezen door hun vorm. De eis van wetenschappelijkheid doet de onderzoeker vergeten dat hij zijn lezers ook nog moet zien te boeien. Een van de meest ergerlijke gewoonten is het al in de eerste alinea prijsgeven van de conclusie. Wanneer iemand begint met de mededeling: in dit proefschrift zal ik aantonen dat... vervolgens zal ik bewijzen hoe... – dan wordt mij althans alle lust benomen om verder te lezen, net als bij een misdaadroman die al op de eerste bladzijde de ontknoping onthult. Iets meer literatuur, waarin de weg altijd minstens zo belangrijk is als de bestemming, zou de wetenschap goed doen.

Bij Marjolijn Drenth von Februar zijn we wat dit betreft aan het goede adres. In 1989 debuteerde zij, onder het pseudoniem M. Februari, met de roman De zonen van het uitzicht, en aan haar onlangs verschenen proefschrift Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek blijkt dezelfde Februari te hebben meegewerkt. Omdat haar – filosofische – onderwerp de `meerstemmigheid van het subject' betreft, heeft de schrijfster zich voor de gelegenheid opgesplitst in M. Februari en Marjolijn Drenth: haar nacht- en haar dagzijde, zoals het met een romantische metafoor wordt aangeduid. Ook in de vorm demonstreert dit proefschrift (dat afwisselend uit verhalende en beschouwende hoofdstukken bestaat) zijn onderwerp.

Het filosofische zit vooral in de reflexiviteit, het meta-niveau dat de filosofie aan n'importe welk onderwerp kan toevoegen. Bij Drenth/Februari gaat het om de verhouding tussen het economische en het morele subject, die wordt behandeld aan de hand van de theorieën van de van oorsprong Indiase econoom Amartya Sen, in 1998 winnaar van de Nobelprijs voor economie.

Sen is vooral bekend geworden als een criticus van het mensbeeld dat ten grondslag ligt aan de klassieke en neoklassieke economie: de homo economicus, waarin de mens wordt voorgesteld als een rationele egoïst, dat wil zeggen iemand die zich alleen laat leiden door zijn eigenbelang. Afkomstig van achttiende-eeuwse filosofen Mandeville en Smith, heeft dit mensbeeld nadien geleid tot het befaamde criterium van Pareto, een Italiaanse econoom en socioloog: de algemene welvaart neemt toe als de welvaart van tenminste één individu toeneemt en die van de anderen niet afneemt. Het nadeel van dit criterium is dat het niets zegt over de verdeling van welvaart, het voordeel dat het een rationele norm verschaft om veranderingen in welvaart te beoordelen.

Rationaliteit en moraal zijn hierdoor binnen het economische denken los van elkaar komen te staan, of beter gezegd: alleen de moraal van het eigenbelang geldt sindsdien als rationeel. Sen is het er niet mee eens; volgens hem gaan de economen uit van een veel te beperkte kijk op het menselijk gedrag, dat niet alleen door eigenbelang maar ook door allerlei andere factoren (groepsbelang, de positie waarin men verkeert, ethiek) wordt bepaald. Tegenover de welbewuste `fictie' van de homo economicus pleit hij voor een pluralistische benadering, waarin ook al die andere gedragsmotieven aan bod kunnen komen.

Het is bovendien onjuist, meent Sen, dat alleen de moraal van het eigenbelang rationeel zou zijn. Wie zo redeneert, creëert `rationele gekken'. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het zogeheten `Prisoner's dilemma' uit de speltheorie, waarbij twee gevangenen pas een optimaal resultaat bereiken (het Pareto-criterium) wanneer zij juist toegeven aan hun morele oftewel altruïstische impulsen. De eenzijdige nadruk op de `fictie' van de economische mens heeft dus haar beperkingen. Maar, zegt Drenth, dat geldt ook voor de morele mens. Die berust evengoed op een `fictie', waarin niet de hele mens is verdisconteerd.

Via een ander dilemma, de aan Sen ontleende Lady Chatteley's Lover-casus, probeert zij dit aan te tonen. Twee mannen, een wellustige en een kuise, moeten beslissen wie van beiden Lawrence's erotische roman zal gaan lezen. De wellustige man wil uiteraard graag, de kuise man liever niet. Maar hij wil ook niet dat de wellustige man het boek leest en biedt zich daarom zelf maar aan; de wellustige man daarentegen zou willen dat de kuise man het boek las, in de hoop dat het diens vooroordelen vermindert. Dus volgens het Pareto-criterium moet de kuise man het boek lezen. Is de Paretiaan echter een liberaal, dan ontstaat er een probleem, aldus Drenth, want de liberale moraal schrijft voor dat beiden elkaar met rust moeten laten, met als gevolg dat de wellustige man het boek wèl en de kuise man het boek niet zal lezen.

Sen concludeert hieruit dat de Paretiaanse liberaal een `onmogelijkheid' is of althans een geval van `schizofrenie'. Drenth is het daar mee eens, maar zij vindt dat Sen zijn `onmogelijkheid' niet voldoende serieus neemt door toch aan de moraal de voorkeur te geven. Door zich over te geven, zoals zij schrijft, aan `naïef moralisme' lost Sen weliswaar het probleem op, maar hier `is het probleem zelf veel interessanter dan de oplossing'.

Nu komt de bijdrage van de filosofie: volgens Drenth geeft de door Sen geconstateerde `onmogelijkheid' alle aanleiding een nieuwe metafoor voor de mens te bedenken, en wel de mens als `meervoudige persoonlijkheid'. Want de Paretiaan en de liberaal vertegenwoordigen niet twee tegenstrijdige verlangens in de menselijke ziel, maar twee incommensurabele persoonlijkheden, elk voorzien van eigen – onderling tegenstrijdige – criteria om persoonlijke voorkeuren te beoordelen. De beslissing ten gunste van één van beiden kan derhalve nooit op rationele gronden plaatsvinden, maar komt neer op een sprong in het duister.

Dat laatste staat niet met zoveel woorden in het proefschrift, het wordt hooguit gesuggereerd door de literaire hoofdstukken, afkomstig van M. Februari.Zij vertelt een nogal ingewikkeld verhaal over een achttiende-eeuwse Julia, die met alle geweld een kunstwerk van Fuseli wil bemachtigen. Zij is bereid er alles voor te betalen, maar Fuseli vraagt geen geld, hij vraagt liefde. Of Julia zich uiteindelijk aan Fuseli geeft, wordt niet duidelijk. De nacht waarin de `transactie' moet hebben plaatsgevonden (of niet), blijft in duister gehuld, net als op Fuseli's bekendste schilderij `De nachtmerrie'. Irrationaliteit is de nachtmerrie van de filosofie, maar dat mag voor een filosoof geen reden zijn eraan voorbij te gaan, lijkt Drenth/Februari te willen zeggen. Ook de ratio kent haar beperkingen.

In het proefschrift wordt dit probleem opgelost, als je al van een oplossing kunt spreken, door de literatuur te hulp te roepen. De fantasie weet immers wèl raad met het duister. Op dezelfde manier zou de wetenschap welvaren bij een literaire injectie: niet alleen om proefschriften leesbaar te maken (iets wat Marjolijn Drenth von Februar overtuigend weet aan te tonen in háár even speelse als geleerde dissertatie), maar ook om de wetenschap meer bewust te maken van haar eigen grenzen. Wetenschappelijke `ficties' die worden verabsoluteerd, kunnen tenslotte in andere domeinen dan waarvoor ze bedoeld zijn een hoop schade aanrichten, zoals de huidige economisering van politiek, kunst en wetenschap afdoende demonstreert.

En wat de keuze betreft tussen het economische en het morele: die keuze valt niet onder de competentie van de auteur, maar van de lezer. Over het lezen van een boek luidt dat deel van de titel, dat op de hoofdstukken van Marjolijn Drenth betrekking heeft. Hoe dit boek gelezen moet worden, is uiteindelijk aan de lezer om te beslissen, net zoals hij zal moeten beslissen of hij een `rationele gek' wil zijn of een `naïeve moralist' – tenzij hij, in navolging van de `schizofrene' schrijfster, genoegen neemt met de literair-filosofische uitweg van de `meervoudigheid'.

M.Februari & Marjolijn Drenth: Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek. Amartya Sen en de onmogelijkheid van de Paretiaanse liberaal. Querido, 220 blz. ƒ65,– (geb.)

Nederlandse literatuur

    • Arnold Heumakers