De hoogbouw dun uitgesmeerd

Het is een beetje wee begin van een recensie, maar ik kan niet anders: welke liefhebber van de gloriejaren van het Amerikaanse verhaal koestert niet met nostalgie dat niet eens zo verre verleden, toen The New Yorker als een gekoesterd geheim van hand tot hand ging en alle connaisseurs elkaar bevestigden in het oordeel dat het het beste tijdschrift ter wereld was. De beste verhalen, de beste profiles, de beste schetsen van die stad waar we toen nog niet met regelmaat eens een weekendje heen konden.

Maar vooral die verhalen. Als ik me goed herinner was het blad heel vroeger zelfs te arrogant om er een inhoudsopgave op na te houden (`hoezo inhoudsopgave,' kon je ze in gedachten horen brommen, `de mensen beginnen maar te lezen bij het begin en houden op als ze het blad uit hebben') en alleen een naam in hoofdletters aan het eind van al die mooie grijze kolommen verried wie het verhaal geschreven had. Slechts onderbroken door vaak sublieme cartoons, en geflankeerd door de kolommen kleine advertenties (voor biefstukken uit Omaha, ultieme Christmas-cakes uit Texas en zomerkampen aan Lake Winnepesaukee) slingerden die verhalen zich een weg door het blad, de tekst was alles, de boodschap was duidelijk, wie niet van gedrukte woorden houdt heeft hier niets te zoeken.

Het New Yorker-verhaal werd een begrip, het was a priori al beter dan welk verhaal in welk ander tijdschrift ook, zo sterk was de magie van die grijze pagina's. Alle turbulentie die het blad de laatste decennia heeft doorgemaakt – zie het stuk van André Spoor hierboven – hebben de kwaliteit van de kopij grosso modo niet extreem aangetast. Maar hoewel het nog steeds graag de maat van alle dingen wil zijn is het dat natuurlijk niet meer. Bovendien is het verhaal als genre niet meer zo lucratief en wordt het dus lang niet meer zo intensief beoefend door de grote talenten als vroeger.

Er bestaat daardoor tegenwoordig ook hier en daar de behoefte de mythe van die vroeger jaren doorgeprikt te zien. Men wordt daar helaas enigszins in bevestigd door de bundel met in New York gesitueerde verhalen die de nieuwe hoofdredacteur David Remnick samenstelde, ook al een boek om het 75-jarig bestaan op te luisteren. `Het kwam me voor als een logisch idee om een selectie te maken van de beste stukken uit het blad die over deze stad gingen', schrijft hij. Maar die beperking tot New York blijkt er één die de reputatie van het blad tekort doet, en wel om twee redenen. Veel van de schrijvers die het blad met name in de jaren zeventig tot een wekelijkse schatkist maakten zijn afwezig – Alice Adams, Bobby Ann Mason, Joy Williams, Alice Munro, om alleen maar enkele van de vrouwen te noemen. Zij schreven blijkbaar niet over New York, en werden derhalve overboord gezet.

Maar bovendien is het `powerful and complex portrait of New York' dat Remnick met zijn bundel had willen creëren maar nauwelijks geslaagd. De stad als locatie is maar op weinig plaatsen echt essentieel voor de verhalen, en vaak zelfs volkomen inwisselbaar. Natuurlijk, er zijn de mooie beelden en de typeringen van het leven in de stad die uniek zijn voor New York. De bevestigingen dat het bestaan er meedogenloos is, dat bijna iedereen boven zijn stand probeert te leven, samengevat in de verzuchting van Tama Janowitz: `Het was moeilijk om in New York te leven en niet te stikken van woede'. Dat nu, is geen diep inzicht dat alleen de literatuur ons kan brengen. `Notes from a bottle' van James Stevenson is een heel erg New Yorks verhaal (blijkbaar geschreven in de tijd toen geruchten over het verzakken van Manhattan vanwege de hoogbouw een lichte paniek veroorzaakten) en zo zijn er nog een paar. Maar een `powerful en complex portrait?' Daarvoor is de New Yorkness te dun uitgesmeerd en blijkt het primaat van de locatie een te grote concessie.

John Updike is vertegenwoordigd met een nog aandoenlijk onschuldig verhaal uit de vroege Maples-jaren, maar hoe je het wendt of keert, het is een van zijn zwakkere, dat niets extra's ontleent aan het feit dat het in Greenwich Village is gesitueerd. Een aantal verhalen, van Philip Roth en Daniel Menaker bijvoorbeeld, valt in positieve zin op, maar dat zijn ondertussen hoofdstukken geworden van later verschenen romans (respectievelijk Zuckermann Unbound en The Treatment.) Niet een echt bezwaar, maar toch.

Teleurstellend is dat er, naast veel dat goed geschreven en verdienstelijk is, uiteindelijk maar twee fenomenale verhalen overblijven. Vladimir Nabokovs `Symbols and Signs' is nog steeds een verhaal als een vuistslag, een vroege proef van zijn meesterschap in een taal die hij nog aan het leren was.

Maar er is iets merkwaardigs aan de hand: het verhaal heet oorspronkelijk `Signs and Symbols' (zo staat het in Nabokovs Dozen, en zo wordt het ook in de verantwoording in die bundel naar de oorspronkelijke bron in het blad terugverwezen). Ik heb die titel altijd subliem gevonden, in de eerste plaats omdat het de inhoud zo fraai dekt (het verhaal gaat over de ouders van een jongen die aan betrekkingswaan lijdt). Maar ook omdat `Signs and Symbols' een hoofdstuk in Websters Dictionary is, een molensteen van een boek dat de kersverse immigrant Nabokov in die tijd (1948) natuurlijk dagelijks op schoot moet hebben gehad. Niets gebeurde bij Nabokov zomaar. Heb ik nu iets gemist in die tussenliggende decennia, of is de omzetting in die titel een slordigheid die illustratief is voor de gebrekkige scholing van de hedendaagse eindredactie?

En dan is er Ludwig Bemelmans' `Mespoulets of the Splendide', een verhaal dat elk klasje van aspirant-verhalenschrijvers als hoofdstuk één van het lesmateriaal voorgezet zou moeten krijgen, zo perfect in een opbouw die nodig is voor de onvermijdelijke kill.

Een major scoop tenslotte is de publicatie van `Slight Rebellion off Madison' van J.D. Salinger, een uit 1946 daterende voorstudie voor Catcher in the rye met Holden Caulfield in de derde persoon. Salinger heeft, zoals bekend, altijd de bundeling van de niet door hemzelf bijeengebrachte verhalen verboden (een tweedelige roofdruk-collectie uit de jaren zeventig werd snel uit de handel genomen) en dat maakt dit al van wanhoop doordrongen kleinood extra interessant. En: het is ook wel degelijk in New York gesitueerd.

David Remnick (red): Wonderful Town. New York Stories From The New Yorker. Random House, 480 blz. ƒ69.95

New York

    • Jan Donkers