De boosaardigheid van het banale

Na het geruchtmakende boek van Daniel Goldhagen over `Hitlers gewillige beulen' wordt de vraag naar individuele schuld in de Tweede Wereldoorlog steeds vaker gesteld. Tegelijkertijd claimen steeds meer groepen met hun eigen variant op de holocaust juist het recht op collectief slachtofferschap. Twee diepgaande nieuwe studies naar de oorlog, op het kruispunt van onderzoek en exploitatie.

AIDS-holocaust'; `zwarte holocaust'; abortus, milieuvervuiling en Castro's Cuba als holocaust. Groepen Amerikaans-joodse kinderen die op pelgrimstocht gaan naar Auschwitz en van tevoren zo bang zijn gemaakt voor het `eeuwige' antisemitisme, dat ze geen Pool durven aankijken omdat, zo is hun uitgelegd, de ovens binnen een dag weer in werking kunnen worden gesteld. Bezoekers van het Holocaust Museum in Washington die als toegangskaartje een persoonsbewijs krijgen opgespeld van een vergaste jood.

Met de voorbeelden waarmee Peter Novick zijn stelling bewijst dat het begrip `holocaust' binnen de hedendaagse Amerikaanse cultuur een twijfelachtig centraal symbool is geworden, zou een kolom te vullen zijn.

Weerzinwekkende voorbeelden vaak, en weerzin wekken is ook precies waar Novick op uit lijkt. Weg met de kampkitsch en de herdenkingsindustrie, zou je zijn controversiële nieuwe boek op zijn kortst kunnen samenvatten – Auschwitz is geen Lourdes (hoe graag de plaatselijke Karmelietessen een aantal jaren terug dat er ook van hadden gemaakt), en aan lijdensverheerlijking valt geen verlossing te ontlenen, en bij voorkeur ook geen identiteit.

Maar behalve hardhandig is The Holocaust and Collective Memory ook grondig. En behalve een bezorgde, boze joodse Amerikaan is Novick ook een gedreven onderzoeker, wiens boude uitspraken overvloedig zijn gedocumenteerd. Zich baserend op archieven van joodse organisaties, kranten, opiniepeilingen en andere polls, brengt Novick nauwkeurig de Amerikaanse publieke meningsvorming in kaart, vanaf ongeveer de Kristallnacht in 1933. The Holocaust and Collective Memory is dan ook méér dan een pamflet.

Al even spraakmakend en gedreven, maar geheel anders van genre en toonzetting is Eric Johnsons vuistdikke Nazi Terror, dat zich concentreert op de Duitse jaren 1933-1945. Zo schril als Novick uithaalt, zo genuanceerd wil Johnson zijn, al ontwijkt ook hij het oordeel niet. Tien jaar lang bogen Johnson en zijn medewerkers zich over Gestapodossiers in drie Duitse plaatsen, zo'n 1100 dossiers in totaal; ze interviewden oorlogsmisdadigers, `gewone Duitsers' en slachtoffers, en lieten hen vragenlijsten invullen. Al die gegevens werden nauwgezet in verband gebracht met de diverse perioden na Hitlers machtsovername. Deze creatieve combinatie van micro- en macrogeschiedenis en van personen en statistieken, levert een unieke blik op in de interne gang van zaken van een politiestaat.

Johnson analyseert de werking van het naziregime, Novick de verwerking daarvan;tesamen beslaan zij de alomvattende vragen: hoe heeft het kunnen gebeuren en hoe zijn we er nadien mee omgegaan? Aldus sluiten deze twee zo verschillende boeken mooi op elkaar aan. Want hoe we de oorlog herdenken is nauw verbonden met hoe we het naziregime interpreteren; met wie we als schuldigen definiëren, en wie als slachtoffers.

Op die vragen zijn sinds 1945 uiteenlopende antwoorden gegeven. Op dit moment zijn we geneigd de jodenmoord als de kern te zien van de Tweede Wereldoorlog, en die genocide bovendien te beschouwen als een unieke misdaad. Dat nu is de visie die in zijn extreme, Amerikaanse variant het doelwit is van Novicks kritiek. Hoe heeft het zó ver kunnen komen, vraagt hij zich af, dat Amerikaanse joden deze `Europese' en `negatieve gebeurtenis' zijn gaan zien als de kern van hun identiteit en dat niet-joden joods zijn definiëren aan de hand van die catastrofe? Novick hekelt twee ogenschijnlijk tegengestelde vormen van holocaustmisbruik: enerzijds de neiging om allerhande onrecht en ellende een keurmerk te verlenen door er de term `holocaust' op te plakken (de `black holocaust' van de slavenhandel), anderzijds juist de koudwatervrees die elk metaforisch gebruik van deze en aanverwante termen (een zwart `getto') opvat als kwaadaardige ontkenning van de jodenmoord.

Deze actuele ergernissen gaat Novick te lijf met de vraag hoe en wanneer de Verenigde Staten, joden incluis, `holocaustbewust' zijn geworden. Want dat waren ze niet altijd. Brede aandacht voor de holocaust kwam er pas midden jaren zestig. In de decennia daarvóór was zij geen publiek gespreksonderwerp geweest. Toen heerste wat wel een Conspiracy of Silence is genoemd, waarmee gezegd wil zijn dat het zwijgen over de jodenvervolging niet van één kant kwam: waar kampoverlevenden het moeilijk vonden erover te spreken, stond hun gehoor al evenmin op hun verhalen te wachten.

Novick echter ziet in de huidige sjoa-hausse niets `waars' of `authentieks'. Hij analyseert oorlogsherinneringen als de uitkomst van ideologische en belangenconflicten, en verklaart de stilte over de holocaust niet uit verdrongen psychotrauma's maar uit politieke verhoudingen. Belangrijk was vooral de Koude Oorlog, die al snel na de geallieerde overwinning begon en een radicale hergroepering betekende. Medestander werd vijand (de Sovjet-Unie), vijand werd medestander (West-Duitsland). In het acceptabel maken van het perspectief waarin Bondsrepubliek en Berlijn de belaagde buffers werden van het vrije westen, vervulde het idee van `totalitarisme' een hoofdrol. Volgens de totalitarisme-theorie (die fungeerde als wetenschappelijke èn als politieke doctrine), was de Tweede Wereldoorlog geen strijd geweest tegen rassenmoord maar tegen onvrijheid. Hitler-Duitsland was een ondemocratische, almachtige staat geweest, die de godsdienstvrijheid aantastte en onderdanen terroriseerde met de geheime politie. Dat totalitarisme-mes sneed aan twee kanten. Ten eerste richtte het effectief de pijlen op de voormalige communistische bondgenoten, met Stalin als de verpersoonlijking van staatstirannie. Ten tweede maande het tot vergevingsgezindheid jegens individuele Duitsers, slachtoffer immers van een vorige, soortgelijke tirannie.

Deze kwesties nu zijn precies het onderwerp van Johnsons boek, Nazi Terror. Zijn reconstructie van de werking van de naziterreur behandelt de klassieke vraag naar de betrokkenheid van individuele Duitsers. Hoe is het in zijn werk gegaan – en wie wist wat wanneer?

Hoe groot het aandeel van de `gewone Duitsers' was in de vervolging wordt door Johnson beklemmend overdadig gedocumenteerd. Lore M., volgens de rassenwetten van 1935 een Mischling, werd op school vooraan gezet met een cordon sanitaire van lege tafeltjes om haar heen; later gaf een schoolgenootje haar aan bij de Gestapo omdat ze een relatie onderhield met een niet-jood. Een joodse huisschilder die de Führer had bespot, werd verklikt door een buurvrouw. Een chauffeur meldde de Gestapo dat zijn joodse werkgever illegale blaadjes uit Nederland had meegenomen. En zo gaat het maar door.

Deze voorbeelden komen uit de jaren dertig, toen vernietiging van de joden nog niet Hitlers hoofddoel was. Vóór 1939 was het streven allereerst de joden het leven dermate onmogelijk te maken dat ze het land zouden ontvluchten. Dat gelukte in hoge mate. De geïnterviewde overlevenden zijn bijna allemaal voor september 1939 geëmigreerd, meestal nadat ze als gevolg van zo'n aangifte hadden kennisgemaakt met een kamp en de martelmethoden van de Gestapo. 89 procent van hen vulde op Johnsons vragenlijst in dat zij nooit waren geholpen door niet-joodse landgenoten; omgekeerd antwoordde niet meer dan 9 procent van de niet-joden dat zij wel eens vervolgden hadden geholpen.

Vanaf eind jaren dertig trad de jodenmoord systematisch in werking. Stap voor stap beschrijft Johnson de maatregelen waardoor de joden werden geïsoleerd en geïdentificeerd – zoals (vanaf zomer 1939) de verplichte tweede voornaam Sarah of Israel voor wie een `gewone' Duitse naam droegen, en later de gele ster. In 1941 en 1942 kwamen de oproepen voor `evacuatie'. Van de 163.696 joden die in oktober 1941 nog in Duitsland woonden, zou geen 10 procent overleven.

Dat de deportaties te merken zijn geweest, lijdt geen twijfel. Er waren bovendien bij het proces van oproep tot en met moord miljoenen Duitsers betrokken. Men besefte dat wie `nach Osten' was geëvacueerd niet terugkeerde. Bovendien toont Johnson dat de Duitstalige BBC de jodenmoord al in december 1942 bekend maakte, en dat zeker de helft van de bevolking regelmatig naar de Engelse zender luisterde. Tot zijn opzienbarendste onderzoeksresultaten behoort dan ook dat van de geënquêteerde oudere Duitsers slechts 44 procent zegt voor de capitulatie niet te hebben geweten van de massamoord. Niks Nicht Gewusst dus: wel geweten maar de andere kant opgekeken.

Is het dus waar, zoals Daniel Goldhagen in zijn Hitlers Willing Executioners (1996) concludeerde, dat de gewone Duitser werd gedreven door antisemitisme dat aanstuurde op eliminatie van alle joden? Volgens Johnson toch niet; de ondervraagde overlevenden verklaarden ondanks het uitblijven van hulp, dat zij door hun `arische' landgenoten niet onvriendelijk waren bejegend. De terreur was vooral effectief, meent Johnson, omdat ruzietjes, nijd, burengekift en familiegezeur werden opgelost door aangifte bij de Gestapo.

Wat Johnson echter ook toont, is dat al dat gretige geklik niet noodzakelijk was – en daarmee benadert hij toch Goldhagens these, terwijl hij bovendien het totalitaire beeld overtuigend weerlegt. De politiestaat die het Derde Rijk was, liet de meeste eigen onderdanen betrekkelijk ongemoeid. Luisteren naar de BBC, of Hitlergrappen maken, werd zelden zwaar gestraft – tenzij men jood, zigeuner, jehova's getuige, ziek, invalide, communist of sociaal-democraat was. Precies door die strategie van differentiatie, door met bepaalde groepen uit de bevolking een gemoedelijke relatie te onderhouden, kon de Gestapo met betrekkelijk weinig mensen en zonder al te opzichtige jachtpartijen een efficiënte vernietigingsmachinerie in werking stellen.

Johnson differentieert het beeld zowel wat de slachtoffers als wat de daders betreft. Zijn dossieronderzoek laat zien dat eerst, zoals Hitler wenste, `het marxistisch gif uit het nationale lichaam' werd `geëlimineerd' en vervolgens de overige politieke tegenstanders. Zij allen bevolkten de kampen in de jaren voor de jodenmoord begon.

Wat de daders betreft: de totalitarisme-theorie die tot midden jaren zestig dominant was, redeneerde top-down: de echte misdadigers bovenaan, een laag ambtelijke uitvoerders daaronder, en dan de passieve en domgehouden bevolking. Vanaf de jaren negentig kwamen juist bottom-up theorieën in zwang, met Goldhagen als beroemdste representant: het kwam van onderop. Johnsons these nuanceert ook diens beeld: sommige Duitsers waren beslist schuldiger dan andere. Hij toont dat de `lokale Eichmanns' die de deportaties voorbereidden, geen gezichtsloze ongeïnformeerde schrijftafelmoordenaars waren maar fanatieke jodenhaters. Mannen vaak met een lange carrière in de `gewone' politie, die vertrouwen genoten, goede relaties onderhielden met plaatselijke notabelen en beschikten over grote kennis van de bevolking.

Zo iemand was ook de joviale Richard Schulenburg, die desnoods bereid was een oude joodse mevrouw achterop zijn fiets naar het station te brengen, opdat ze op tijd was voor de trein naar Theresienstadt. Schulenburg verzorgde de deportaties in Krefeld, een van de drie door Johnson onderzochte gemeenten, en was aldus verantwoordelijk voor de dood van duizenden landgenoten. Van de 94-jarige Josef Gimnicher bijvoorbeeld. Die moest mee met het laatste transport – zomer 1942, een transport van hoogbejaarden van wie echt niemand kon geloven dat die naar een werkkamp gingen – en meldde zich op zijn krukken en met naast de gele ster trots al zijn decoraties uit de Eerste Wereldoorlog.

Schulenburg werd in 1947, toen de denazificatie van Engelse in Duitse handen was overgegaan, geklassificeerd als oorlogsmisdadiger derde categorie – een kleintje. Dat kostte hem niet meer dan zijn pensioen. Maar zelfs zover kwam het niet. Hij protesteerde en werd gesteund door roerende brieven over zijn menslievende karakter van de katholieke deken, een dominee en andere gerespecteerde burgers. Het werkte: in 1950 zakte hij naar categorie IV en herkreeg hij zijn pensioenrechten. Schaamteloos eiste hij vervolgens dat daarin naast zijn 28 politiejaren ook zijn tien jaar Gestapo zouden worden verdisconteerd. Hetgeen in 1955 geschiedde. Toen echter bleek zijn promotie tot Oberkriminalsekretär in 1941 (20 procent salarisverhoging) niet meegerekend. In 1958 werd ook dat naar tevredenheid geregeld.

Schulenburgs biografie is niet uitzonderlijk. En zo zijn we weer terug bij Novick. Want zo brutaal als de vele Schulenburgs hun leven hervatten, zo stilletjes poogden hun slachtoffers een nieuw bestaan op te bouwen. Protesteren tegen de Duitse rechtsgang of herbewapening deden in die jaren vrijwel alleen communisten, en hoewel de Amerikaanse CP talrijke joden herbergde, deden de joodse organisaties er alles aan om dat stigma niet te krijgen. Anti-Duits zijn was taboe.

Aan de verreikende invloed van de Koude Oorlog voegt Novick een mentaal aspect toe dat het beeld overtuigend completeert: de overwinningsroes. Amerika leefde in een sfeer van vooruitgang, techniek en welvaart. In dit nieuwe land van melk en honing wilden joden niet als slachtoffers worden bekeken. De holocaust werd er niet beschouwd als een apart onderdeel van de oorlog. Weliswaar werd de wereld door de foto's bij de bevrijding van kamp Buchenwald hardgrondig geconfronteerd met stapels lijken, maar in Buchenwald zaten vooral politieke gevangenen. Democratie – daar ging het om.

Wanneer groeide de jodenmoord uit tot de essentie van de Tweede Wereldoorlog? Volgens Novick vanaf midden jaren zestig, nadat het Eichmannproces en Hannah Arendts berichtgeving daarover in 1961 het onderwerp weer in de belangstelling hadden gebracht. Novick suggereert dat het vervolgens de Zesdaagse Oorlog van 1967 was, waardoor de Amerikaanse joden zich massaal met Israel gingen identificeren en hardop durfden te zeggen dat ze geen tweede holocaust zouden laten gebeuren. Dat permitteerde men zich omdat Israels militaire successen het eerder zo gevreesde slachtofferimago weerspraken.

Een reeks daaropvolgende cultuurveranderingen bevorderde dat de holocaust de status van morele maatstaf kreeg. Ten eerste nam de compassie met slachtoffers in het algemeen toe – zodanig dat er volgens sommigen inmiddels sprake is van slachtofferverheerlijking en een klaagcultuur. Ten tweede gingen vanaf de jaren zeventig allerlei groepen (zwarten, vrouwen, homo's, indianen) zich verenigen op een geschiedenis van onderdrukking: de `politics of identity'. Ten derde werd de joodse babyboom-generatie volwassen, die na te zijn opgegroeid in een vaak beklemmende sfeer van taboes en familiegeheimen, nieuwsgierig was naar (en soms inderdaad: geobsedeerd door) het verleden.

Joodse organisaties en woordvoerders, concludeert Novick, vonden in dit complex de oplossing voor een identiteitsprobleem. Want wat verenigde joden – succesvol, geassimileerd en geseculariseerd als ze waren – eigenlijk nog? De `holocaust' vulde een vacuüm, gestimuleerd door een christelijke samenleving waarin lijden nu eenmaal per definitie wordt verheerlijkt. En zo werden de nieuw-opgezette `holocaust-studies' een succes, zat men aan de tv gekluisterd bij de serie Holocaust, en werden in de jaren negentig in veel staten Holocaustmusea geopend die record aantallen bezoekers trekken.

In Novicks ogen in dit allemaal commercialisering, trivialisering en zelfs sacralisering van de jodenvervolging. Hij hekelt de gênante concurrentie die we de laatste jaren kunnen aanschouwen rond de vraag wie het meest geleden heeft – alsof lijden een bewijs van morele superioriteit levert.

Toch, hoe herkenbaar deze kritiek ook is, hier laat Novick zich meeslepen door zijn ergernis. Hij betwist op zwakke gronden dat de jodenmoord (dat wil zeggen: de systematische vervolging van en moord op een door de daders gedefinieerde, volledige bevolkingsgroep) een unieke misdaad was en dat die genocide de kern was van het nazi-programma. Hij beticht de joodse organisaties van manipulatie, maar hoewel hij ampel materiaal aanvoert, lijkt zijn argumentatie toch vooral gevoed door zijn afkeer van een rechts, in zichzelf gekeerd jodendom. Hier wreekt zich bovendien de overpolitieke, antipsychologische invalshoek, die The Holocaust and Collective Memory nodeloos meedogenloos maakt. Novick onderzocht geen persoonlijke maar `collectieve herinneringen'. Hij gebruikte dan ook geen interviews, autobiografieën of patiëntendossiers. Maar je kunt niet zomaar doen alsof de individuele beleving samenvalt met de collectieve expressie. Wat we door Novicks nadruk op symboolmanipulatie haast uit het oog zouden verliezen is dat het allemaal echt gebeurd is: de overlevenden stónden voor de opgave het verleden te verwerken.

Dat neemt niet weg dat de netelige kwesties die Novick aan de orde stelt ook voor Nederland relevant zijn. Ook hier is `de oorlog' na de relatieve stilte van de koude-oorlogsjaren hét morele ijkpunt geworden; ook hier vallen misbruik, sacralisering, trivialisering, slachtoffercompetitie en -identificatie te constateren. Het zou niet overbodig zijn als daarover door historici kritisch werd nagedacht; liefst iets minder cynisch dan Novick doet. Niet de minste verdienste van The Holocaust and Collective Memory is dat het zo van harte uitnodigt tot zo'n vergelijking.

Peter Novick: The Holocaust and Collective Memory. The American Experience.

Bloomsbury, 373 blz. ƒ79,40

Eric A. Johnson: Nazi terror. The Gestapo, Jews, and ordinary Germans. Basic Books, 636 blz. ƒ91,- De Nederlandse vertaling door Amy Bais e.a., Nazi terreur, is verschenen bij

De Bezige Bij, 640 blz. ƒ59,50

    • Jolande Withuis