Bezetting gaf impuls aan animatiefilm

De Nederlandse animatiefilm heeft tijdens de bezetting een impuls gekregen die nog decennialang vruchten heeft afgeworpen. Dat constateren de filmhistorici Mette Peters en Egbert Barten in hun boek Meestal in `t verborgene, een onderzoek naar de teken- en poppenfilms die in de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn gemaakt. Niet alleen werkten Nederlanders in die tijd als assistent bij vooraanstaande Duitse animatiefilmers, maar ook was toen het collaborerende bedrijf Nederland Film actief, en werd de grondslag gelegd voor de studio's van Marten Toonder en Joop Geesink die na de oorlog hun werk op grotere schaal hebben voortgezet.

De studie heeft vooral een inventariserend karakter, want veel was over de pioniersdagen van de Nederlandse animatie nog niet bekend. Bovendien is de oorlog altijd een reden geweest er enigszins besmuikt over te doen, al waren de meeste filmpjes apolitiek en bedoeld om reclame te maken – zoals voor Philips en de Boffie-koffie van Albert Heijn. In elk geval was het Marten Toonder en Joop Geesink na de bevrijding korte tijd verboden in de filmwereld te werken wegens hun oorlogsactiviteiten. Hun studio's, waarin heel wat employés destijds een veilig heenkomen voor de bezetters vonden, liepen nu eenmaal het meest in het oog.Anderen bleven ongemoeid.

Tot hen behoorden ook degenen die bij het foute Nederland Film in Den Haag hebben meegewerkt aan de propagandafilm Van den Vos Reynaerde, een nazistische variatie op de Vlaamse volksvertelling waarvan tot dusver slechts een fragment van enkele minuten is teruggevonden. Daarin is te zien hoe het dierenrijk een ezel op de troon krijgt, die in de ban raakt van de met een keppeltje getooide neushoorn Jodocus, een gesticulerende volksmenner die de totale vrijheid, gelijkheid en broederschap predikt – met als gevolg dat het een rommeltje wordt: een zwaan die met een poes danst, dat kan nooit goed gaan.In april 1943 is er een voorvertoning georganiseerd voor makers en financiers, maar de film kwam nimmer in de bioscopen. Misschien te laat voltooid, opperen Peters en Barten, om nog in het propagandabeleid te passen.

Uit het bewaard gebleven fragment blijkt in elk geval dat men zijn vak verstond. Voor de oorlog had de Nederlandse animatiefilm nog een ietwat onbeholpen karakter, maar tijdens de bezetting kregen de tekenaars het ambacht behoorlijk onder de knie. Zelfs in Van den Vos Reynaerde is te zien hoe groot de invloed van de intussen verboden animatiefilms uit Amerika was. Zo'n sujet als Jodocus zou, als hij niet zo uitgesproken antisemitisch was bedoeld, uitstekend in een Disney-film hebben gepast.

Heel wat films waarvan de onderzoekers in hun boek melding maken, zijn nog niet teruggevonden. Er bestaan scenario's of werktekeningen, maar niet bekend is of ze ook werkelijk in productie zijn genomen. Het onderzoek is dan ook nog lang niet afgelopen.

Mette Peters en Egbert Barten: Meestal in `t verborgene. Animatiefilm in Nederland 1940-1945. Uniepers/NIA, ƒ39,90.