`We werden met de nek aangekeken'

De criteria voor een schadeloosstelling uit het Duitse fonds voor dwangarbeiders zijn zo streng dat maar weinigen een uitkering zullen ontvangen.

`WAAROM BEN JE NIET ondergedoken', kregen de Nederlanders die tijdens de oorlog in Duitsland te werk waren gesteld, bij terugkeer te horen. Het onthaal van de dwangarbeiders was weinig warm. A. den Hartog, voormalig voorzitter van de Vereniging Dwangarbeiders Nederland (VDN), ervoer het aldus: ,,We werden met de nek aangekeken; wij hadden voor de vijand gewerkt. Alsof we een keuze hadden.''

De tien miljard Duitse mark uit het in december ingestelde fonds `Erinnerung, Verantwortung und Zukunft' kan Den Hartogs gevoel van miskenning niet wegnemen. ,,Ik wacht op een schadeloosstelling door de Nederlandse overheid.''

Ook de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO), de met overheidssteun gefinancierde opvolger van de VDN, is `teleurgesteld'. Volgens Rita Sloot van de SBO zijn de criteria zo streng dat veel Nederlandse dwangarbeiders niet in aanmerking komen voor een uitkering uit het Duitse fonds.

De schadevergoeding van naar schatting vijf- tot vijftienduizend mark is voorbehouden aan de mensen die vanuit de concentratiekampen en getto's te werk werden gesteld en aan dwangarbeiders die onder vergelijkbare levensomstandigheden in Duits of bezet gebied moesten werken. Hoeveel Nederlandse dwangarbeiders aan de criteria voldoen, kan de SBO niet zeggen. Maar de verwachting is dat een groot deel van de 20.000 dwangarbeiders die zich bij de organisatie hebben gemeld, niets zal ontvangen.

Sloot had liever gezien dat álle dwangarbeiders – nog 113.000 van de 600.000 voormalige Nederlandse dwangarbeiders zijn in leven – een schadeloosstelling zouden ontvangen. De SBO wil de Nederlandse overheid vragen de groep die niets zal ontvangen alsnog te compenseren.

Den Hartog vindt een dergelijke bijdrage terecht, omdat volgens hem de Nederlandse autoriteiten de Duitsers hebben geholpen bij het ronselen van dwangarbeiders. ,,Ze waren zo bereidwillig dat het Duitse bedrijf Kügelfischer in Schweinfort, waar ik moest werken, nog geen huisvesting had, toen ik arriveerde. `U bent te vroeg', werd mij gezegd.'' Den Hartog beijverde zich jarenlang voor erkenning van de Nederlandse dwangarbeider. De erkenning kwam – een monument in het Verzetsmuseum Overloon – een schadeloosstelling niet.

De aandacht voor de dwangarbeiders kwam pas met de zogenoemde Amerikaanse class suits tegen Duitse bedrijven, observeert Sloot. ,,De dreiging van enorme claims en de aankondiging van een economische boycot van Duitse bedrijven kwamen het tempo van de onderhandelingen ten goede. Het zijn uiteindelijk economische overwegingen die de doorslag hebben gegeven voor de instelling van een fonds.''

De Groningse emeritus-hoogleraar Ernst Kossmann zal zich niet melden voor een uitkering, hoewel hij die anderen van harte gunt. ,,Wij zijn welvarende mensen in een bespottelijk rijk land, moeten wij geld gaan vragen aan Duitse bedrijven? Voor Oost-Europa ligt het anders. Daar kunnen de mensen misschien slecht rondkomen. Overigens komt het geld toch veel te laat. De meesten van ons zijn tegen de tachtig of ouder.''

Kossmann heeft enig recht van spreken. Hij werd vanuit het concentratiekamp in Vught naar Duitsland gedeporteerd om er te werken. Van dwangarbeid spreekt hij liever niet. ,,Een dwangarbeider is iemand die gevangen zit en als straf moet werken. Wij werden wel gedwongen te werken, maar niet voor straf en we waren ook geen gevangenen. In vergelijking met de mensen uit de kampen en diegenen die voor straf naar de Arbeitserziehungslager moesten, hadden we het niet zo slecht.''

    • Chris van de Wetering