Trou Moet Blycken

Die gesteelde TV

Wiet julle,

dai was 'n cruel ding

wat ôs gedoenit

ommie Old Age Home

se TV te steel.

Dink maar net:

die ienagste plesier vannie senior citizens

Wat dink julle discuss hulle nou?

Die gesteelde TV.

En hoe spend hulle hulle lonely nights?

Hulle kyk met blênk loeks

narie blênk spot

waarie TV gestaanit.

Niks meer laat aane,

niks meer news,

niks meer kinnesprograms,

ennie kêk was saam merrie TV gesteel

Terug na Springbokradio

television sonner pictures.

Jig!

Dai klomp ou biene

het nou veels te veel tyd

om hulle kwale te re-examine.

Nei, ouens,

ôs was varke

om hulle boks speelgoed

soema soe af te vat.

Ek sê:

vanaand brick ôs weer in

byrie Old Age Home

en sit dai blênk-blerrie ding terug.

Peter Snyders (geb. 1939)

Een van de hardnekkigste misverstanden nog steeds is dat het Afrikaans uitsluitend de taal zou zijn van blanken. Liefst van reactionaire, volgegeten, reusachtige blanken. Niets is minder waar. Afrikaans is vooral de taal van de bruinmense, van de maleiers, door de Compagnie uit de gordel van smaragd naar de Kaap gehaald, eertijds slaven en nu gepromoveerd tot leden van de dienstverlenende klasse. Ze hebben als geboren verhalenvertellers en underdogs het Afrikaans soepel en zuurstofrijk gehouden. Hun Kaaps Afrikaans, de omgangstaal van de maleierbuurt en de Kaapse vlakte, functioneerde en functioneert in een orale traditie, een verteltraditie kortom, de gedichten die in die taal ontstonden zijn gebruiksgedichten.

Voor veel Afrikaanse blanken was het een ondraaglijke gedachte dat zo'n taaltje nog het meest zou hebben bijgedragen tot de reanimatie en vitalisering van hun naar verstarring neigende standaardversie van het Afrikaans, ingeklemd tussen de orakeltaal van een hermetische Statenbijbel en de afkeer van alles wat Engels was, en daarom ontwierpen ze absurde protocollen om maar vol te houden dat het om strikt gescheiden varianten van het Afrikaans ging. Taaldeskundigen met een voor de regerende klasse welgevallige theorie waren hoogst welkom in Zuid-Afrika.

De bruine dichters werd het leven behoorlijk zuur gemaakt. D.J. Opperman, wiens Groot Verseboek gedurende de apartheidsperiode eenzelfde faam genoot als de Spiegel van Victor van Vriesland bij ons, had in zijn poëtische totaallandschap drie bruine dichters toegelaten, en of men daar tevreden mee wilde zijn. Drie oppassende huisnegers als officiële schaamlap. Voor de rest van de dichters waren er nauwelijks publicatiemogelijkheden. Wat erger was: de Kaaps Afrikaanse poëzie werd algemeen beschouwd als te lichtvoetig, te humoristisch, te weinig verheven om tot welke poëzietempel ook te worden toegelaten. Het was poëzie van de straat, poëzie die dichter bij de mensen stond dan bij de God van de Broederbond, en dat kon niet goed zijn.

't Is verbazingwekkend om te zien hoe de blanke poëziecritici hun best deden om die straatpoëzie buiten de deur te houden. Het lijkt bijna een stilzwijgende afspraak. Als je maar volhield dat zulke poëzie te licht was, dan hoefde je niet eens meer op de kleur van de dichters te wijzen.

Niettemin was het in de hoek van de bruine dichters dat de taal het levendigst bleef en zich op de interessantste manier ontwikkelde. Ik geef voor de paar bundels van Peter Snyders graag het complete oeuvre van twintig bleke en zwaarwichtige poëten cadeau. Poëzie is nooit te licht.

Wat een leed, wat een wereldsheid, wat een maatschappelijk beeld, wat een openbare les liggen er verborgen in zijn Die gesteelde TV, hiernaast! Ogenschijnlijk is het een lichtvoetige anekdote in directe bewoordingen. Er komt niet één poëtisch woord, niet één wolkenlucht of zielsbenauwenis in voor, en toch is dit poëzie van het zuiverste water het zegt wat het zeggen wil en je onthoudt het. Het treft je door zijn oppervlakkigheid recht in het hart, wat van veel diepzinnige poëzie niet gezegd kan worden.

Onderschat het groepje inbrekers niet, dat daar bij elkaar zit. Ze deinzen er niet voor terug bejaardentehuizen te overvallen. Des te komischer werkt de gewetenswroeging van de bendeleider die de jongens toespreekt. Jawel, het was te cruel wat we hebben gedaan, om bij die oudjes de tv te stelen. Hun enigste pleziertje, stel je voor. Wat denk je dat ze nu als gespreksonderwerp hebben? Die gestolen tv vanzelf. En hoe brengen ze hun eenzame nachten door? Door met blank looks te kijken naar de blank spot waar de tv heeft gestaan.

De dichter de verteller vermurwt het hart van zijn bendegenoten, en hij vermurwt het hart van ons, lezers. Ook wij krijgen flink medelijden met die suffige oudjes, die nu vroeg naar bed moeten, zonder stichting en nieuws, en wier knusse cake ook nog is meegestolen, mét de tv. Terug naar de Springbokradio moeten ze, terug naar een televisie zonder plaatjes. In de verzuchting Jig! schuilt een wereld van spontaan mededogen. Dat stelletje strompelaars (`ouwe benen') heeft nu veel te veel tijd om hun kwaaltjes tegen het licht te houden.

Nei, ouens,

ôs was varke

wij waren varkens, oudjes. Varkens, om hun doos met speelgoed zomaar af te pakken. De aanspreekvorm `ouens' versterkt de indruk dat het om een bende nogal jonge diefjes gaat. Enfin, nu hun harten voldoende in de week zijn gezet, luidt het voorstel van hun woordvoerder om vanavond nog eens in te breken en dat bloody ding terug te zetten.

Vooral het doodernstige besluit om voor dat nobel doel opnieuw in te breken werkt op onze lachspieren. Het blijft een gedicht om bij te lachen, waarom ook niet? Tegelijk maakt het een mengeling van emoties los. Hogeschool van de poëzie.

    • Gerrit Komrij