`Tijger aan de Nijl' verlamd

Toen Egypte na een rel over de Duty Free Shops aandeelhouders een schadevergoeding aanbod, leek het vertrouwen in de `Tijger aan de Nijl' gered. Maar betaling blijft uit en de twijfel groeit of het regime bereid is de controle over de economie los te laten

De speciale parkeerruimte voor klanten bij de Egypte Duty Free Shops op de Arabische Liga straat in het centrum van Cairo is onbenut. Binnen leest het personeel de krant, bestudeert de vloer of rookt sigaretten onder bordjes die dat verbieden. Bewakers leunen op hun wapens. Tot een jaar geleden was het hier en in de tientallen andere vestigingen zo druk dat je uren stond te dringen. In de eerste rij om het gewenste artikel aan te wijzen, in de tweede rij om daarvoor een bonnetje te krijgen, in de derde rij voor een stempel op dat bonnetje, in de vierde om te betalen, en in de vijfde rij om de aankoop - in geval van sterke drank in een discrete, niet-doorschijnende plastic zak gewikkeld - in ontvangst te nemen.

De Duty Free Shops waren ondanks de inefficiëntie razend populair en geen wonder: tot eenëntwintig dagen na aankomst in het land mocht iedereen tot een bepaald bedrag belastingvrij exclusieve drank, sigaretten, audio-visuele apparatuur, delicatessen en huishoudelijke artikelen inkopen. Het systeem stamde uit de tijd dat nog vooral werd gereisd door de elite, voor wie dit een leuk douceurtje betekende.

En toen was het afgelopen. Van de ene op de andere dag en zonder enige inspraak van de directie van het zojuist geprivatiseerde bedrijf decreteerde de regering dat je binnen 24 uur in plaats van binnen drie weken je inkopen moest doen. De verkoop van hifi- en keukenapparatuur werd verboden. De Duty Free Shops vormen oneerlijke concurrentie voor de gewone markt, verklaarde de toenmalige premier Ganzouri en achtte daarmee de kous naar goed autoritair gebruik af.

Dat viel tegen. Sinds een jaar of zeven probeert Egypte serieus buitenlandse investeerders aan te trekken, vaak met succes, en die pikten zo'n stap niet. Inderdaad, zeiden ze, de Duty Free Shops zijn concurrentievervalsing. Maar zoiets los je in een vrije markteconomie niet op met een decreet; er bestaat zoiets als rechtszekerheid. Evenmin behulpzaam was de geruchtenstroom dat de zoon van president Mubarak belangen zou hebben in reguliere hifi-winkels.

Uiteindelijk moest de regering door het stof en bood de aandeelhouders compensatie voor de koersval van het aandeel van vijftig naar tien pond, plus derving van dividend. Tientallen miljoen dollars, voor de regering een rip uit het lijf. Menigeen in Cairo schreef de episode bij als `pijnlijk maar hoopgevend'. Het vertrouwen in de nieuwe economische `Tijger aan de Nijl' was gered.

Aldus leek de affaire een metafoor voor het Egyptische liberaliseringsbeleid: twee stappen naar voren, eentje terug. Het regime dereguleert de economie, maar doet dat op de oude autoritaire, ondemocratische wijze, en met een scherp oog op de belangen van de eigen kliek rond de president. Al bij de privatisering van Duty Free Shops had het management geroken aan het oude socialistische Egypte: Uit `overwegingen van sociale rechtvaardigheid' was het bij wet verboden in het veel te omvangrijke personeelsbestand te snijden. Vandaar de inefficiënte rijen: het personeel moet iets doen.

Maar, zeiden de optimisten die in Egypte de toekomstige economische motor van het Midden-Oosten en Afrika zien, de regering is bereid te leren. Oude reflexen van de autoritaire centrale planning speelden soms nog op, maar de regering is op pad naar liberalisering en rechtszekerheid. En kijk naar de prestaties: Egypte voert sinds begin jaren negentig een internationaal geprezen macro-economisch beleid met al jaren vijf procent groei, inflatie op vier procent, een ruime buitenlandse deviezenvoorraad en een gestaag dalend begrotingstekort. Het pond staat al jaren in een vrijwel vaste wisselkoers tegenover de dollar met als resultaat dat investeerders de markt opdurven. Steeds meer kapitaal van Egyptenaren overzee vloeit terug en en tal van multinationals kozen de laatste jaren Egypte als basis voor hun Midden-Oosten divisie.

Maar dezer dagen hoor je minder en minder over de leergierigheid van de regering. Er is nog steeds geen cent uitgekeerd aan de aandeelhouders van de Duty Free Shop en, veel ernstiger, het macro-economische beleid staat steeds meer onder druk. Pijnlijke privatiseringen worden telkens weer uitgesteld, ondeugdelijk doorgerekende megaprojecten slokken de deviezenvoorraad op, en over institutionele hervormingen durft niemand het meer te hebben. Volgens een studie aangehaald in het Engelse blad The Economist moet je 77 procedures door op 31 kantoren om in Egypte onroerend goed te registreren. Bij de hele zakengemeenschap bestaat twijfel over de vraag hoever het regime eigenlijk bereid is te gaan in het loslaten van de controle over de economie.

De pessimisten kregen in april nieuwe minutie met de publicatie door de Engelse investmentbank Flemings van een verwoestend rapport over de Egyptische economie; het pond is veertig procent overgewaardeerd, de binnenlandse schuld van de regering is vele malen hoger dan men zegt en de `volstrekte ondoorzichtigheid' van de staatshuishouding maakt het onmogelijk op een verantwoorde manier investeringsrisico's in te schatten. Een westerse financieel analist in Cairo somt op: ,,Het rapport zei feitelijk: investeerders, wegwezen!''

Tot overmaat van ramp speelde bij de regering vervolgens opnieuw de autoritaire reflex op: de nieuwe premier Ebeid eiste een excuus van Flemings. ,,Het rapport was aan de harde kant'', zegt de financieel analist in Cairo, ,,maar de reactie van de regering was pijnlijk.'' Een westerse docent aan de Amerikaanse Universiteit van Cairo die ook al anoniem wil blijven zegt: ,,Egypte heeft het in zich een nieuwe economische tijger te worden. Maar de regering moet bescheidener zijn. Egypte kent tal van structurele zwakheden. Die gaan op termijn tot crises leiden. Het zou veel overtuigender zijn als dat werd toegegeven.''

    • Joris Luyendijk