Roependen in de woestijn

,,Er waren mensen die het trieste nieuws van de vernietiging naar buiten brachten. Deze koeriers werden niet per se door iemand om een boodschap gestuurd, noch hadden ze altijd een adres waar ze zich konden melden. Hoe effectief hun boodschap was, hing dan ook voor een groot deel af van wie zij waren en wat voor indruk ze maakten, maar nog meer van de bereidheid van de ontvangers om de informatie inhoudelijk op te nemen en te accepteren'', schrijft Raul Hilberg in zijn boek Daders slachtoffers omstanders. De joodse catastrofe 1933-1945. Jaap van Duijn, gedurende de Tweede Wereldoorlog tuinman in de buurt van Auschwitz, was zo iemand die het trieste nieuws naar buiten bracht, maar niet werd geloofd. De Groene Amsterdammer verhaalt over zijn verlof naar Nederland, eind 1942, waar hij de joden die bij zijn ouders zaten ondergedoken, waarschuwde. Zij adviseerden Van Duijn naar de Joodsche Raad in Amsterdam te gaan en daar te vertellen wat in Auschwitz gebeurde. ,,Ze schrokken, ze waren ondersteboven'', staat te lezen bij L. de Jong. ,,Maar hij werd niet doorgestuurd naar de voorzitters van de Joodsche Raad (...). Er was twijfel geweest of hij misschien een provocateur was.'' Lang na zijn dood las zijn zoon de dagboeken die zijn vader gedurende de oorlog had bijgehouden. ,,Ik las over de verschrikkelijke bombardementen op de omgeving van Auschwitz, waarbij alleen de vernietigingskampen werden gespaard (...)'', vertelt hij in De Groene Amsterdammer. Hij vraagt zich af waarom zijn vader tijdens zijn leven met geen woord gerept heeft over zijn oorlogservaringen. ,,Nu, in het jaar 2000, heeft hij mijn ogen geopend en ben ik ontzettend trots op hem. Hij heeft tenminste iets geprobeerd.''

Een andere boodschapper werd wel gehoord, hoewel lang is aangenomen dat de Nederlandse overheid de waarschuwingen van majoor Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, over een ophanden zijnde Duitse inval niet serieus nam. Militair-historicus Tobias van Gent vertelt in Vrij Nederland over de wederwaardigheden van Sas die via zijn vriend, de Duitse stafofficier Hans Oster, al in november '39 op de hoogte werd gebracht van een Duits aanvalsplan. Sas voelde zich in Nederland `een roepende in de woestijn', aldus Van Gent die na onderzoek in diplomatieke en militaire archieven concludeert: ,,Wat Sas niet wist, was dat er wel degelijk iets met zijn inlichtingen werd gedaan. Hij had het `geluk' dat de regering ook vanuit andere bronnen werd gewezen op het dreigende Duitse gevaar.'' En begin mei 1940 waren tot verbijstering van de Duitse generaal Fock de militaire verloven in Nederland plotseling ingetrokken terwijl ,,de Duitse troepen nog niets doorhadden van de naderende aanvalsdag. (...) Waar halen zij toch hun inlichtingen vandaan?'' schreef Fock in zijn dagboek.

In VN komt nog een onderzoeker aan het woord, de Amerikaanse historicus Eric Johnson, auteur van het boek The Nazi Terror. Voor zijn onderzoek spitte hij duizenden Gestapo-dossiers door op zoek naar de vraag `wat individuele Gestapo-leden bewoog'. Hij moet, aldus VN, weinig hebben van de beschuldiging van de historicus Daniel Goldhagen `dat de holocaust een typisch Duitse aangelegenheid zou zijn geweest'. Volgens Johnson waren generaties joden `in landen als Polen en Rusland niet veel beter af dan die in Duitsland'. ,,Als de nazi's tegen het Duitse volk hadden gezegd: de Turken zijn onze vijand, dan had men zich tegen de Turken gekeerd.'' Hier had de interviewer wel wat scherper uit de hoek mogen komen – want `if' history is no history. De vader van Johnson was een Amerikaanse gevechtspiloot. Zijn vliegtuig werd in 1944 boven Oostenrijk neergehaald. ,,Hij had zo graag de spoorlijnen naar Auschwitz willen bombarderen.''

,,De vraag of ze ons daarbuiten en daarboven vergeten waren heeft bij velen lang op of achter de lippen gelegen'', schrijft G.L. Durlacher in Strepen aan de hemel. ,,De vragen kleven aan het verhemelte.''

    • Anna Visser