Politieke partijen zijn afspiegeling electoraat

De politieke theorie die leert dat het politiek kader de radicale voorhoede vormt van het gematigde kiezersvolk, klopt niet, zo leert onderzoek.

Nooit waren de sexen in de sociaal-democratie zo in evenwicht. Keurig om en om stonden mannen en vrouwen in 1988 op de kandidatenlijst van de PvdA voor de Tweede Kamer. Tot vreugde van vele vrouwen in de partij en tot ongenoegen van de nodige mannen die Kamerlid wilden worden.

De gelijkheid was weer een stap verder: de kandidatenlijst van de PvdA vormde een getrouwe afspiegeling van de samenleving, die ongeveer evenveel mannen als vrouwen telt.

Moeten partijen een afspiegeling zijn van het electoraat? Ja, is het overheersende sentiment in de Nederlandse politiek. Vormen partijen ook een afspiegeling van de kiezers die ze vertegenwoordigen?

In grote trekken wel, constateren de Leidse politicologen Koole en Van Holsteyn in een vergelijkend onderzoek naar de achtergronden van kiezers en leden van PvdA, VVD, CDA en D66. Daarvoor vergeleken zij het laatste Nationaal Kiezersonderzoek en een eigen onderzoek onder partijleden.

Natuurlijk zijn er verschillen. Maar die zijn beperkt. Leden van de vier partijen komen uit hogere sociale klassen dan hun kiezers, ze zijn hoger opgeleid dan hun kiezers, ze kennen een ondervertegenwoordiging van vrouwen en een oververtegenwoordiging van ouderen.

De sociale klassen en de genoten opleiding verschillen het meest. Partijleden rekenen zich tot de `hogere klasse' of de `hogere middenklasse', terwijl kiezers van de partijen zichzelf merendeels beschouwen als gewone `middenklasse'. Het verschil in opleiding tussen partijleden en kiezers is aanmerkelijk. Kiezers, zeker die met weinig politieke interesse, hebben nog overwegend een lagere opleiding. Partijleden kennen veelal een hogere opleiding en die is nog groter bij de actieve leden. ,,Politieke partijen zijn in toenemende mate bastions van academici'', constateren Koole en Van Holsteyn.

De Leidse politicologen signaleren dat er altijd een zekere ongelijkheid is geweest tussen het opleidingsniveau van partijleden en kiezers. De vroegere SDAP werd in haar beginjaren vanwege de achtergrond van haar leden wel betiteld als de `Studenten, Dominees en Advokaten-Partij'.

De maatschappelijke opvattingen van partijleden en kiezers lopen slechts in beperkte mate uiteen. De politicologische theorie dat partijleden en vooral het ideologisch bevlogen middenkader radicalere opvattingen innemen dan hun kiezers `de wet van May' gaat volgens Koole en Van Holsteijn voor de vier Nederlandse partijen praktisch niet op.

Wat zijn de kleine, maar interessante afwijkingen? Ten aanzien van euthanasie hebben CDA-kiezers een liberalere houding dan leden van die partij, terwijl bij PvdA, VVD en D66 de leden juist wat liberaler zijn dan hun kiezers.

VVD-leden zijn radicaler dan hun kiezers als het gaat om de mate van aanpassing van allochtonen aan de Nederlandse cultuur. Van de VVD-kiezers is ongeveer 40 procent voor een volledige aanpassing; bij de VVD-leden is dat een ruime meerderheid. Bij de andere partijen wijken de opvattingen van leden en kiezers niet veel af.

Iets groter zijn de verschillen bij het klassieke sociaal-economische vraagstuk van de inkomensverdeling. Hier zijn PvdA en VVD in meer dan één opzicht elkaars tegenpolen. Bij de PvdA zijn de actieve leden in veel sterkere mate voorstander van nivellering dan de kiezers van die partij. En bij de VVD moeten juist de leden minder hebben van nivellering dan de kiezers. Vooral de actieve leden zijn nadrukkelijker voorstander van het vergroten van inkomens dan de gewone leden en de kiezers.

De leden van PvdA en VVD verschillen ook flink met hun kiezers op het punt van de sociale uitkeringen. Een kwart van de VVD-leden vindt de uitkeringen te hoog van de actieve leden is dat zelfs een derde -, maar slechts een van de 5 VVD-kiezers deelt dat standpunt. Bij de PvdA is ongeveer de helft van de actieve leden voorstander van het verhogen van de uitkeringen, terwijl slechts een kwart van de PvdA-kiezers die opvatting deelt.

Significant verschillen leden en kiezers van partijen over de vraag waar ze zelf vinden dat ze staan in het politieke spectrum. Zo is het ledenbestand van het CDA gemiddeld linkser dan de kiezers van die partij. Tweederde van de CDA-kiezers beschouwt zich als gematigd rechts, maar bij de leden is dat slechts de helft.

Bij de PvdA is dat verschil tussen kiezers en leden nog groter. Een kwart van de PvdA-kiezers ziet zichzelf als gematigd rechts, een opvatting die onder leden van de partij nauwelijks voorkomt. Daartegenover beschouwt tien procent van de PvdA-kiezers zich als radicaal links, terwijl driekeer zo veel van de leden zich in die positie plaatst.

Eenzelfde verschil tussen leden en kiezers is ook te zien als het gaat om de waardenoriëntatie. Bij PvdA en D66 voelen veel meer leden dan kiezers zich postmaterialistisch. Bijna de helft van de actieve PvdA-leden beschouwt zich postmaterialist tegen een vijfde deel van de eigen kiezers. Bij D66 is dat ongeveer de helft van de actieve leden tegen een kwart van de kiezers.

Anders dan regelmatig wordt verondersteld zijn de verschillen tussen kiezers en leden in zijn algemeen gering. Voor politieke partijen kan dat een reden voor tevredenheid zijn. Zij voldoen zo aan de algemene verwachting dat partijen in redelijke mate een afspiegeling zijn van hun kiezers.

Conclusie van de onderzoekers: misschien is de intermediaire rol van politieke partijen zo slecht nog niet.

ONDERZOEK via: www.nrc.nl/DenHaag