Overschot-probleem

De schatkist loopt vol. Door de gunstige gang van zaken in de economie brengen de belastingen veel meer op dan bij de onderhandelingen over het geldende regeerakkoord is aangenomen. De uitgaven vallen juist mee. Als gevolg van beide ontwikkelingen boekte de overheid het afgelopen jaar voor het eerst sinds 1973 weer een overschot, van vier miljard gulden. Half april rekende het Centraal Planbureau voor dat het overschot al dit jaar kan oplopen tot bijna tien miljard gulden. Omdat het kabinet sindsdien heeft besloten de uitgaven extra te verhogen, komt het overschot ook dit jaar eerder uit in de buurt van vier à vijf miljard. Die positieve saldi prikkelen vooral politici aan de linkerzijde van het politieke spectrum tot pleidooien om de overheidsuitgaven extra te verhogen.

De euforie in Den Haag over het begrotingsoverschot zou wel eens van korte duur kunnen zijn. Want de rijksoverheid komt nog steeds te kort. Vorig jaar gaapte in de rijksbegroting een gat van zeven miljard. Het neemt zowel dit jaar als het volgend jaar verder toe. Gemeenten en provincies boeken jaarlijks een bescheiden overschot van tussen de twee en de drie miljard. Omdat het tekort van het Rijk veel groter is, staan centrale en decentrale overheden samen zwaar in het rood.

Waar komt het overschot dan vandaan? Dat blijkt volledig te zijn gelokaliseerd bij de sociale fondsen, die op grond van internationale afspraken eveneens tot de sector overheid worden gerekend. De fondsen boekten over 1999 een overschot van acht miljard gulden. Het zwelt op tot meer dan twaalf miljard gulden dit jaar en opnieuw in 2001. De overschotten bij de fondsen ontstaan doordat de premies voor de sociale verzekeringen dezer jaren opzettelijk hoger zijn vastgesteld dan eigenlijk nodig is. Doordat de fondsen overhouden, kunnen zij hun in de loop van de jaren negentig aangetaste vermogenspositie versterken. De plussen zijn extra omvangrijk, doordat minder geld nodig is voor uitkeringen aan werklozen. Bij de huidige vooruitzichten is de vermogenspositie van de sociale fondsen aan het eind van dit jaar (ruimschoots) op peil. De premietarieven kunnen volgend jaar dus terug naar het niveau dat nodig is ter dekking van de jaarlijkse uitkeringen en de uitvoeringskosten. De premiereducties die mogelijk zijn komen overeen met een lastenverlichting van twaalf miljard gulden.

Zijn de premie-ontvangsten volgend jaar gelijk aan de geraamde uitgaven – wat de normale situatie is – dan zijn de overschotten bij de sociale fondsen eensklaps verdwenen. De plus van de hele sector overheid wordt zelfs weer een min. Want terwijl de fondsfinanciën in evenwicht zijn, weegt het permanente overschot van gemeenten en provincies lang niet op tegen het voortdurende en groeiende tekort op de rijksbegroting. De sociale premies drukken vooral op arbeidsinkomen. Een mogelijke premieverlaging met twaalf miljard gulden ingaande 1 januari 2001 maakt het voor werkgevers aantrekkelijker mensen in dienst te nemen. Werknemers houden netto meer over, zodat zij eerder bereid zullen zijn hun arbeid aan te bieden. Omlaag dus die premies!

Maar de keerzijde van zo'n omvangrijke lastenverlichting – bovenop de komende belastingverlaging met zeven miljard gulden – is dat de economie volledig over haar toeren raakt. Bedrijven en consumenten krijgen twaalf miljard in de schoot geworpen en zullen dat bedrag grotendeels willen besteden. De economie dreigt dan volstrekt oververhit te raken. Bovendien ontstaat in dit geval een tekort op de begroting van de totale overheid, in een economisch topjaar. Die uitkomst druist in tegen alle afspraken die zijn gemaakt door de elf eurolanden die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie.

Wat nu? Het kabinet kan de sociale premies in 2001 met twaalf miljard verlagen en tegelijkertijd het saldo op de rijksbegroting met eenzelfde bedrag verbeteren. Het tekort van de totale overheid verandert dan niet, en de economie krijgt geen extra bestedingsimpuls. Om het saldo op de rijksbegroting met twaalf miljard te verbeteren moeten de belastingen omhoog en/of de uitgaven omlaag. Bezuinigen lijkt politiek niet te verkopen. Een belastingverhoging met twaalf miljard, om de premieverlaging met twaalf miljard te neutraliseren, ligt evenmin in de rede. De belastingherziening op 1 januari aanstaande houdt juist een lastenverlichting in, als `smeergeld' om de operatie maatschappelijk verteerbaar te maken. De andere optie is dat het kabinet ook in 2001 de tarieven van de sociale premies nog boven lastendekkend niveau vaststelt. Het overschot komt dan niet in gevaar, de rijksbegroting blijft buiten schot en een bestedingsimpuls blijft achterwege. Maar nodeloos hoge premies maken arbeid nodeloos duur.

Een `derde weg' biedt ogenschijnlijk soelaas. Hoofdzakelijk als uitvloeisel van de Belastingherziening 2001 gaat de rijksoverheid vanaf volgend jaar veertien miljard gulden bijdragen in de financiering van de volksverzekeringen, zoals de AOW. Stel dat die rijksbijdrage grotendeels achterwege blijft. Dit maakt op de rijksbegroting de beoogde bezuiniging met twaalf miljard gulden mogelijk, terwijl als gevolg van de weggevallen rijksbijdrage verlaging van de premies voor de volksverzekeringen niet langer mogelijk is. Toch valt het overschot-probleem langs deze weg maar gedeeltelijk op te lossen, omdat een forse portie van het totale overschot van de fondsen (van twaalf miljard) bij het Algemeen werkloosheidsfonds is geconcentreerd, en dat krijgt geen rijksbijdrage die desgewenst kan worden teruggetrokken. Gaat de premie voor de Werkloosheidswet volgend jaar een stuk omlaag, en dat is niet meer dan logisch, dan krijgt het kabinet dus met een reuze overschot-probleem te kampen.

    • Flip de Kam