Onderwijsbeleid zonder leraren kan alleen maar falen

De onderwijsbonden hebben het loonbod van minister Hermans resoluut van de hand gewezen. Terecht, meent Ton van Haperen. Na 20 jaar `afknijpen' hebben leraren nu recht om te delen in de meevallers.

Onderwijsbonden en minister zijn na weken onderhandelen met ruzie uit elkaar gegaan. In de berichtgeving lijkt het geschil om niet meer dan een procent te gaan. Maar dit kleinigheidje leidt waarschijnlijk wel tot acties in de examenperiode, een radicaal middel dat zeer ongebruikelijk is. Er is dan ook wel degelijk iets aan de hand. Voor leraren is een grens bereikt, naar hun gevoel is er jaren met ze gesold. Tot voor kort konden zij daar weinig tegenin brengen, het geld was immers op. Dat gold niet voor ambities van politici.

Het beleid ging gewoon door, maar wel in een variant zo zuinig dat docenten inmiddels zijn omgevormd tot een ernstig verwaarloosde beroepsgroep. Met de tekorten op de arbeidsmarkt in de rug eisen ze nu herstelbetalingen. De minister heeft geen zin om hier aan toe te geven en zet zijn hakken in het zand. Een beetje onverstandig, want meer dan geld heeft hij niet te bieden en met geruzie boet zijn politieke handelen in aan kracht.

In de periode dat Ritzen het voor het zeggen had, heeft hij maar weinigen kunnen overtuigen van zijn gelijk. Wel kon hij zich beroepen op een verzachtende omstandigheid; in zijn tijd genoot begrotingsdiscipline absolute prioriteit. Een met veel bombarie aangekondigde verandering als vergroting van de autonomie voor scholen werd door de schrale uitvoering ervaren als een slechte reclamecampagne. De ware doelstelling, bezuinigen, werd ideologisch toegedekt. Met name leraren hadden na een paar van dergelijke staaltjes de buik vol van Zoetermeer.

Dit is zonder twijfel het grootste probleem dat Hermans bij zijn aantreden aantrof. Maatregelen met een smal draagvlak zijn er door zijn voorganger doorheen gejast, de verdere uitvoering kwam onder zijn verantwoordelijkheid. In beginsel ging hij hier ontspannen mee om, oogde monter en was bereid te luisteren. Bijna twee jaar later valt de nieuwe minister in het mes van Ritzen. Zijn aanzien maakt een ernstige crisis door. In de pers krijgt hij het verwijt onzichtbaar te zijn, hij vecht met de bonden en zelfs coalitievriend Melkert laat zich denigrerend over hem uit. Een groeiende budgetruimte biedt kennelijk niet automatisch perspectief op herstel van aanzien van het onderwijs. Voor leraren is dit een teleurstellende ervaring, na twintig jaar afknijpen onder begeleiding van het deuntje `het kan niet anders', heeft de combinatie van een nieuw gezicht en financiële meevallers verwachtingen gewekt.

Concrete maatregelen ter verbetering van omstandigheden van het zittend personeel blijven echter uit, terwijl hier toch de pijn zit. Hoge werkdruk in een slecht onderhouden omgeving met een structurele salarisachterstand vormen de oorzaak van een groeiend lerarentekort. Twintig jaar geleden werden de salarissen bruto gekort, een maatregel die in de arbeidsverhoudingen alleen in uitzichtloze situaties voorkomt. Sindsdien is er voor zittend personeel nooit een stijging geweest die kon concurreren met vergelijkbare sectoren. De werkdruk nam ondertussen toe door efficiencywinst via budgettering en onderwijsvernieuwing.

De minister zit enorm in zijn maag met een lerarentekort. De sores van de werkvloer heeft daar volgens hem echter niks mee te maken en wordt straal genegeerd. Hij denkt de oplossing gevonden te hebben bij de zogenoemde zij-instromers: mensen van rond de veertig, die vastlopen in hun werk en een nieuwe loopbaan ambiëren. Hermans spreekt met faciliteiten voor betaald studeren voor leraar deze groep aan. De hierdoor gevormde toename van aanbod moet de arbeidsmarkt ontspannen. In de media wordt gesuggereerd dat de belangstelling voor dergelijke opleidingstrajecten enorm is. Dat zal best, het barst van de mensen die ontevreden zijn met hun maatschappelijke positie en plaats. Op het eerste gezicht is een sprong voor de klas dan een uitkomst, maar als blijkt dat zij in negatieve omgeving hun arbeid moeten verrichten, met collegae die geplaagd worden door gevoelens van miskenning, die ook nog eens geconfronteerd worden met nieuwe krachten waarvoor ineens wel luxe regelingen bestaan, is het snel gedaan met de pret.

De ontvangst van de nieuwkomers zal uiterst lauw zijn. Zeker omdat de minister voor het zittend personeel weinig in petto heeft. Een marktconforme generieke loonsverhoging weigert hij te betalen. Hij vecht als een leeuw voor elk kwart procent, ook na twintig jaar salarieel afzien biedt een toenemende welvaart nog steeds geen grond om hier verandering in aan te brengen. Het enige waar de bewindsman de portemonnee voor wil trekken, is competentiebeloning. Maar dat is niet meer dan een persoonlijke hobby. Als een bedrijf met producten, omzet en kosten als Philips het niet voor elkaar krijgt om een sluitend en aanvaardbaar systeem voor prestatieloon te ontwikkelen, dan lukt dat directies van scholen nooit.

Het is dan ook opvallend dat de minister niet onder woorden kan brengen hoe zijn nieuwe stelsel van beloning er uit zou moeten zien. De concrete invulling wil hij aan de instellingen overlaten. Ze krijgen een bedrag waarvan ze zelf de invulling mogen bepalen. Differentiatie in beloning zou mooi zijn, maar aandelen kopen mag ook. Wat de keuze ook wordt, degene die voor de klas staat heeft er niks aan.

Hermans valt veel te verwijten, maar niet dat hij lui is. Lerarenopleidingen die in de strijd om de jonge leraar convenanten sluiten met schoolbesturen, kunnen op zijn steun rekenen. Hij is ook niet te beroerd om tijdens een officiële gelegenheid een verhaaltje te vertellen. En bij een serieus bestuurlijk initiatief uit het middenveld levert hij boter bij de vis en betaalt zonder aarzeling. Als het gaat om computers doet hij evenmin flauw.

Voor leraren en hun arbeidsvoorwaardelijke problemen heeft hij echter opvallend weinig belangstelling. Hij beseft kennelijk niet dat zonder steun van zittend personeel elke beleidsdoelstelling onhaalbaar is. Hermans is natuurlijk gebonden aan afspraken, maar het geld stroomt binnen. Hij houdt zich schuil, opereert vooral defensief en personeel mag nog steeds niks kosten. Waarom niet een groot gebaar? Bonden vragen een forse loonsverhoging, ga daarmee akkoord, koop twee jaar rust en leg uit dat door het lerarentekort de kans op werkdrukverlaging gering is.

Zoek met die boodschap de media, maak theater, laat weten op de hoogte te zijn van de zwaarte van het beroep. Een dergelijke publieke deal lijkt duur, maar bindt wel, vergroot bovendien de legitimiteit van het politiek handelen en maakt vervolgbeleid een stuk eenvoudiger. Het tonen van begrip, dat concreet maken met een bedrag, heeft een hoger rendement dan geruzie in de examenperiode met de daarbij horende acties en rotzooi. In onze samenleving heeft elk ongenoegen zijn prijs en bij voldoende welvaart is het energieverlies om die niet te betalen. De rekening komt toch een keer.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.

    • Ton van Haperen