JODEN

In 1940 woonden er ruim 160.000 joden in Nederland, op een bevolking van ongeveer negen miljoen. Na de bevrijding bleken er van de 140.000 joodse Nederlanders (de overigen waren van Duitse komaf) ongeveer 110.000 door de nazi's te zijn vermoord.

Alvorens de Nederlandse joden te deporteren, zorgden de Duitsers ervoor dat ze werden geïsoleerd met anti-joodse maatregelen. Zo bepaalde de bezetter op 1 juli 1940 dat joden geen lid mochten zijn van de Luchtbeschermingsdienst.

Op 10 februari 1941 vaardigde Rijkscommissaris Seyss-Inquart een verordening uit waarin werd bepaald dat `degenen die geheel of gedeeltelijk van joodschen bloede zijn' zich moesten melden. Deze maatregel leidde tot relletjes in Amsterdam, die de bezetter afstrafte met razzia's, waarbij 400 joodse mannen werden opgepakt en gedeporteerd naar het concentratiekamp Mauthausen. In maart werden `joodse' bedrijven onder toezicht van een zogenoemde `Verwalter' geplaatst. In april werden de eerste legitimatiebewijzen uitgereikt; die van joden werden voorzien van twee grote J's. Eind 1941 begon de deportatie van buitenlandse joden vanuit Nederland naar speciale joodse werkkampen. De beruchte gele jodenster werd in het voorjaar van 1942 ingevoerd. Op 16 juli vertrok de eerste trein met Nederlandse joden vanuit kamp Westerbork naar Auschwitz. Van de ruim 100.000 Nederlandse joden die via Westerbork zijn gedeporteerd, is meer dan de helft naar Auschwitz overgebracht; slechts 1.052 overleefden het kamp. Verder vertrokken er treinen naar kampen als Sobibor en Theresienstadt; de meeste inzittenden keerde niet terug.