Inkomen bepaalt computerbezit

Er is geen sprake van een tweedeling in de samenleving als het gaat om het gebruik van informatie- en communicatietechnologie, constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau. Sommige categorieën lopen achter.

. In elk geval bestaat er een tweedeling in het spraakgebruik. Het Nederlands heeft een woord voor mensen die geen kaas hebben gegeten van internet of computers: digibeten. Voor degenen die er wél mee kunnen omgaan, bestaat géén gangbare aanduiding. In de Verenigde Staten is het precies andersom: daar is een woord voor degenen die vertrouwd zijn met de nieuwe wereld van informatie- en communicatietechnologie, `digerati', maar een equivalent van `digibeten' ontbreekt.

Dit noopt tot beschouwingen over een kloof tussen Amerika en Europa, en over Amerikaanse obsessies met voorlopers en Nederlandse obsessies met achterblijvers. Maar de belangrijkste politieke vraag hier is of die digibeten alleen achterlopen, of definitief achterblijven. Een permanente categorie achterblijvers zou een nieuwe vorm van sociale ongelijkheid kunnen introduceren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) poogt aan de hand van verschillen en overeenkomsten tussen de verspreiding van producten en diensten als televisie, video, mobiele telefoons, antwoordapparaten, voicemail, computers en internet vast te stellen of er van zo'n nieuwe ongelijkheid sprake is.

Verspreiding van zulke innovaties verloopt in het algemeen volgens een vast patroon, een S-curve: het duurt relatief lang totdat een de kleine groep innovators zich heeft uitgebreid met de early adopters, vervolgens breidt het bezit of gebruik zich snel uit en tenslotte treedt een verzadiging van de markt op. Bij de televisie is dat laatste al lang het geval, de video nadert de verzadiging. Er zijn geen aanwijzingen dat de verspreiding van computers en internet onder bevolking anders verloopt, constateert het SCP.

Weliswaar zijn er op dit moment aanzienlijke ongelijkheden in het bezit en gebruik van computers en internet, maar die waren er aanvankelijk ook in het bezit van televisie en video. Om een voorbeeld te noemen: het computerbezit onder de armste kwart van de bevolking lag in 1998 op hetzelfde niveau (ongeveer vijftig procent) als onder het rijkste kwart in 1990. Het armste kwart loopt dus acht jaar achter, maar de groei in computerbezit is onder mensen met lage inkomens op dit moment groter dan onder mensen met hoge inkomens.

Inkomen blijkt voor het bezit van moderne informatie- en communicatietechnologie de belangrijkste discriminerende factor. Daarna komt geslacht (mannen meer dan vrouwen) en leeftijd (vooral bejaarden blijven achter). Pas op de vierde plaats komt opleidingsniveau: opmerkelijk, want men zou verwachten dat bij zulke complexe, kennisintensieve spullen als computers opleiding een belangrijke discriminerende factor zou zijn. Dat blijkt dus niet het geval.

Als mensen eenmaal een computer hebben, of een van de andere onderzochte informatie- en communicatiespullen, blijkt voor het gebruik ervan inkomen geen rol van betekenis meer te spelen. Wie de financiële drempel van aanschaf eenmaal heeft genomen, komt kennelijk geen onoverkomelijke kennisdrempel tegen, en ook geen financiële drempel voor gebruik.

Bezit en gebruik vertonen overigens lang niet altijd identieke patronen. Dat is ook bij een inmiddels traditioneel apparaat als een videorecorder het geval: mensen met hoge inkomens hebben relatief de meeste recorders, maar zij gebruiken die het minst. Als mensen een computer in huis hebben, gebruiken ze hem meestal ook elke week. Het komt steeds minder voor, constateren de onderzoekers, dat een pc ongebruikt blijft. In 1985, ten tijde van de eerste pc-privéprojecten, kwam dat veel vaker voor.

De parallellen die het SCP trekt met televisie en video zijn inzichtelijk, vooral als het gaat om computerbezit, een ontwikkeling die in de SCP- en CBS-gegevens sinds 1985 is te volgen. Als het gaat om internet en mobiele telefonie, is het eigenlijk wat vroeg om conclusies te trekken. De meest recente gegevens die het SCP voor dit rapport heeft gebruikt stammen uit 1998. Voor gsm en internet is dat de Middeleeuwen.

De onderzoekers vinden dat niet zo bezwaarlijk, omdat ongelijkheden in bezit duurzamer zijn dan de stand van zaken bij de verspreiding van allerlei producten. In het algemeen moge dat zo zijn, juist als de vraag is of wellicht sprake zou kunnen zijn van een nieuwe sociale ongelijkheid, dan is dit een wankel uitgangspunt.

Wat het onderzoek ook van beperkte betekenis maakt, is dat het geheel is gebaseerd op enquêteresultaten. Zo heeft men mensen gevraagd wat ze doen met hun computer en op het internet. Zeker als het gaat om wat mensen doen op het internet zijn er veel betrouwbaarder gegevens, namelijk uit de logfiles van providers. Uiteraard zijn die niet zomaar toegankelijk, maar daarover zijn vast afspraken te maken. Maar zulke gevens zijn moeilijker aan leeftijd of opleiding te koppelen.

De obsessie met klassieke achtergrondvariabelen als geslacht, huishoudenssamenstelling, leeftijd, opleiding en inkomen spreekt uit elk SCP-rapport, maar juist als de vraag is opgeworpen of rond informatie- en communicatietechnologie een nieuwe sociale ongelijkheid zou kunnen ontstaan, dan ligt het voor de hand te onderzoeken of er soms andere factoren een rol spelen. Denk aan attitudes, affiniteiten, lifestyle. Uit het rapport blijkt dat digibeten en digerati onder elke `klassieke' bevolkingscategorie voorkomen, maar dat zegt dus weinig over hun verdere eigenschappen. De vraag of de digibeten achterlopen of achterblijven is dan ook nog niet beantwoord.

    • Dick van Eijk