INDISCHE GEMEENSCHAP

Tussen 1946 en halverwege de jaren '60 zijn ongeveer 300.000 mensen vanuit Indonesië naar Nederland gekomen. Het gaat om vier groepen. De eerste groep, van zo'n 110.000 personen, kwam in de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog; alleen al in 1946 waren dat er 69.200. Zij vertrokken nadat de Indonesische onafhankelijkheid was uitgeroepen in augustus 1945. Het ging veelal om uit Jappenkampen ontslagen mensen van Hollandse afkomst. Indonesië maakte in die tijd een chaotische periode (de bersiap-periode) door, toen als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd veel slachtoffers vielen onder Indo-Europeanen. De mensen die de archipel verruilden voor het Nederlandse moederland werden repatrianten genoemd, ofschoon velen nog nooit een voet in Europa hadden gezet.

Tussen 1949 en 1951 kwam een tweede groep naar Nederland, ter grootte van 102.000 personen. Zij waren voor het grootste deel afkomstig uit de bestuurlijke infrastructuur: ambtenaren en (KNIL-)militairen. Na het einde van de onafhankelijkheidsstrijd in 1949 was hun rol in Indonesië uitgespeeld. De Indonesische regering had de Indische Nederlanders tot 1951 de tijd gegeven te kiezen tussen het Nederlandse en het Indonesische staatsburgerschap.

De derde en vierde groep repatrianten vertrok naar Nederland als gevolg van toenemend nationalisme in Indonesië. Er ontstond een anti-Nederlandse houding. In 1957 had Soekarno besloten dat alle Nederlanders voor het einde van het jaar het land moesten verlaten.