Een vonk slaat over na jaren van kilte

Opeens werd het naoorlogse rechtsherstel voor joden en andere groepen een kwestie. Hoe de onverschilligheid plaatsmaakte voor erkenning.

WAT ZOU ER ZIJN gebeurd met de joodse tegoeden, als de Republikeinse senator D'Amato halverwege de jaren negentig niet zo'n werk had gemaakt van zijn herverkiezing in New York? De opiniepeilingen waren indertijd niet gunstig voor D'Amato en om de electoraal cruciale joodse bevolkingsgroep voor zich te winnen lanceerde hij een kruistocht tegen de banken in Zwitserland waar de bezittingen van in de Tweede Wereldoorlog vermoorde joden zouden liggen. De bemoeienis van D'Amato bleek een succes. Het legendarische Zwitserse bankgeheim werd opgeheven voor de zoektocht naar oorlogstegoeden. En – om een ander voorbeeld te noemen – de gemeente Amsterdam betaalt de stiefzoon van een ontslagen joodse ambtenaar 50.000 gulden, meldde burgemeester Patijn vorige week in deze krant.

De stap van New York naar Amsterdam lijkt reusachtig. Maar D'Amato en Patijn zijn met elkaar verbonden zoals de natuurverschijnselen in het bekende beeld van de chaostheorie, waarbij de vleugelslag van een vlinder in China via een keten van toevallige gebeurtenissen een orkaan in Brazilië veroorzaakt. Maar hoe heeft de vleugelslag van de opiniepeilingen in New York over Europa een wind kunnen brengen die in de publiciteit soms stormachtig was?

Voor het antwoord op die vraag moeten we even terug in de tijd. Toen de joodse overlevenden na de oorlog terugkeerden uit de onderduik en de concentratiekampen, moesten zij zich vaak grote moeite getroosten om hun door de nazi's geroofde bezittingen terug te krijgen. De Nederlandse regering in Londen had een wettelijke regeling gemaakt voor het naoorlogs rechtsherstel, maar (overheids)instellingen en personen waren vaak erg onwillig en formalistisch. De joden, voor wier lot in de drukke wederopbouwjaren weinig aandacht was, lieten het er vaak maar bij zitten. Tegen de tijd dat het rechtsherstel grotendeels was afgerond, begin jaren zestig, was de kwestie van de joodse tegoeden in de vergetelheid geraakt.

De kwestie werd medio jaren negentig opgerakeld toen D'Amato de Zwitserse banken begon te dreigen met een boycot door de stad New York. Maar belangrijker nog dan zijn aandeel was het feit dat de joodse gemeenschap – en vooral de derde generatie – na een langdurige herdenking van de doden klaar was voor een zoektocht naar oorlogstegoeden. Ook niet-joden in Europa bleken na vijftig jaar eigen geschiedschrijving en verwerking meer open te staan voor het joodse oorlogsleed.

De internationalisering van de economie en van de financiële markten maakt dat bedrijven en financiële instellingen zich nog moeilijk kunnen onttrekken aan grensoverschrijdende acties en discussies. De val van de Muur en de daaruit voortvloeiende beëindiging van het Oost-West-conflict had niet alleen ruimte gemaakt voor andere conflicten. Ook de in Oost-Europa lang gesloten archieven werden nu toegankelijk. Bovendien is het bereik en de invloed van de visuele media – CNN voorop – vanaf de Golfoorlog fors toegenomen.

De actie van D'Amato deed iets opvonken wat al lag te smeulen. De Nederlandse historicus Lipschits werkte bijvoorbeeld al langer aan de geschiedschrijving van de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW), een activiteit die normaliter geen grote aandacht zou hebben getrokken. Zijn onthulling over notarissen die nog joodse nalatenschappen `onder zich' hadden, werd in de publiciteit opeens verbonden met `Zwitserland'. De Nederlands-joodse tegoeden werden in 1996 een kwestie.

`Zwitserland' bewoog inwoners van Israel en de Verenigde Staten ertoe in oude schoenendozen, dagboeken of geheugens te spitten. Nabestaanden overstelpten banken en verzekeraars met vragen. Joodse organisaties besloten onder de vlag Centraal Joods Overleg (CJO) te gaan opereren en een meldpunt te openen. En in dat CJO kreeg Ronnie Naftaniel, directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI), de meest prominente rol.

Naftaniel was voor de joodse gemeenschap in Nederland de juiste man op de juiste plaats op het juiste moment. Hij beschikte als econoom over voldoende kennis van de vaak uiterst complexe materie. Bovendien deed hij het goed in de media en was – wellicht geïnspireerd door zijn banden met Israel – niet beschroomd publiekelijk te eisen wat de joodse gemeenschap zijns insziens toekwam. Andere vertegenwoordigers van de, nogal verdeelde, joodse gemeenschap in Nederland blinken doorgaans uit in stille diplomatie, maar het is de vraag of zij veel succes zouden hebben gehad in het huidige media-tijdperk.

Rellen zoals die rond Lipschits' geschiedschrijving gaven de joodse tegoeden vaart in de media. De nazaten van de kunsthandelaar Stikker eisten een enorme kunstcollectie in Nederland op. Op de verlaten zolder van een voormalig pand van het Agenschap van Financiën werd in 1997 stomtoevallig door anti-kraakwachten het Liro-archief ontdekt met duizenden kaartjes, waarop ingeleverde bezittingen met de hand waren opgeschreven. Hieruit bleek ook dat in de jaren zestig joodse kleinoden waren geveild onder ambtenaren van Financiën. De Nederlandse regering reageerde op de gebruikelijke wijze: de benoeming van enkele wijze mannen in onderzoekscommissies, die inmiddels klaar zijn met hun werk.

Veel nabestaanden waren intussen zelf een speurtocht begonnen. Onder hen bevond zich de Israelische zakenman Dick Polak. Polak wist dat zijn vermoorde vader een levensverzekering had afgesloten bij een maatschappij die thans onder Aegon valt. Polak verzamelde een indrukwekkende hoeveelheid archiefmateriaal, maar in juridisch opzicht was het onvoldoende. Toch betaalde Aegon hem uit – een doorbraak voor de sector.

Aegon, dat grote belangen in de Verenigde Staten heeft, was natuurlijk beducht om in één adem genoemd te worden met Zwitserse banken. Maar ook meer toevallige factoren speelden een rol, zoals de persoonlijke betrokkenheid van de joodse directeur voorlichting. Het dossier-Polak dreigde nog even te blijven liggen, ware het niet dat voormalig Aegon-topman Jaap Peters van de zaak hoorde. Peters was lid van de commissie-Van Kemenade en gaf met een kattebelletje de beslissende duw.

De Nederlandse verzekeraars, met Aegon voorop, waren naar verhouding erg welwillend. Dat was onder anderen te danken aan de persoon van Fischer, voorzitter van het Verbond van Verzekeraars, een historicus die graag klaarheid wilde brengen in het op sommige punten troebele gedrag van verzekeraars na de oorlog. Naftaniel kon het bij de onderhandelingen over slapende polissen goed vinden met Fischer; deze chemie speelde een belangrijke factor bij de totstandkoming van de behoorlijk ruimhartige schaderegeling.

De Nederlandse staat tastte daarentegen niet erg diep in de buidel. Dat is voor een groot deel op het conto te schrijven van Christiaan Rupert, topambtenaar bij Financiën, die de staat van de schatkist meer was toegedaan dan de restitutie-kwestie. De onderhandelingen met de formalistische banken lopen nog, terwijl de Amsterdamse effectenbeurs, die door tal van historici en door de commissie-Scholten met pek en veren is overladen voor zijn schandelijke rol na de oorlog, slechts bereid is tot een uiterst beperkte schadevergoeding.

De verschillende uitkomsten roepen de vraag op wat de naspeuringen naar de joodse tegoeden hebben opgeleverd. Mede door het ontbreken van archieven zijn de onderzoekscommissies er niet in geslaagd de omvang van de roof vast te stellen. De door geschiedschrijver dr. L. de Jong al getrokken conclusie dat het naoorlogs rechtsherstel in grote lijnen correct is verlopen, bleef overeind. Net als zijn conclusie dat het proces vaak formalistisch en harteloos verliep.

De kwestie van de joodse tegoeden ging nu dan ook niet om de grote lijnen, maar om de details, die voor individuele joden allesbehalve details zijn geweest. Om de `kille' afhandeling van claims, om de gemaakte `fouten' (premier Kok) die diep inwerkten in levens van mensen. De vleugelslag van D'Amato heeft in Nederland de morele en soms materiële erkenning van de onverschilligheid waarmee de joden na de oorlog zijn bejegend, gestimuleerd.

    • Karel Berkhout