`Een kille en bureaucratische ontvangst'

De Indische gemeenschap wil meer dan de 250 miljoen die de regering heeft geboden. ,,Wij waren met meer mensen dan de joden .''

ALS DE NEDERLANDSE overheid een gebaar maakt, dan klinkt het zo: ,,Een gebaar dat de grenzen van de gesignaleerde tekortkomingen van het Indisch rechtsherstel met zijn relatief beperkte reikwijdte overstijgt, maar wel recht doet aan de bijzondere omstandigheden waarbinnen het rechtsherstel in Nederlands-Indië heeft plaatsgevonden.''

Een volzin goed voor 250 miljoen gulden. Dat is het `bod' dat de regering heeft gedaan aan `de Indische gemeenschap', vertegenwoordigd in achttien organisaties die samen het Indisch Platform zijn. Omgeslagen over de 144.000 nog in leven zijnde `Nederlanders uit Indië' zou het neerkomen op 1.736,11 gulden per persoon.

De Indische gemeenschap is niet akkoord gegaan. Niet eens zozeer wegens de hoogte van het bedrag, als wel wegens de manier waarop de overheid erop gekomen is en de wijze waarop zij het wil verdelen: niet over individuen, maar over projecten en fondsen.

De kwestie van de Indische claims is tamelijk ingewikkeld. Er ligt geen of nauwelijks archiefonderzoek aan ten grondslag. Bovendien lopen verschillende `schulden' door elkaar. In de eerste plaats zijn de Nederlanders in Indonesië bij de Japanse invasie van have en goed beroofd. Ook hulpzendingen die particulieren via het Rode Kruis aan de geïnterneerde Nederlanders probeerden te zenden, zijn nooit aangekomen. Dat is de schuld van Japan. Daarbij komt dat de salarissen van ambtenaren en militairen in de oorlogstijd niet werden uitgekeerd en later ook nooit zijn terugbetaald. Dat is de schuld van de Nederlandse overheid en in sommige gevallen ook het bedrijfsleven.

Na de oorlog raakten de Nederlanders, net uit de kampen bevrijd, verzeild in de bersiap-tijd, de uiterst gewelddadige onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs. Ook hier werden de Nederlanders (blank en bruin) doelwit van roof en moord. Bovendien liep de onafhankelijkheid uit op nationalisering van Nederlands bezit in Indonesië. Die schuld is dus veroorzaakt door het Indonesische regime.

Al die schulden legt het Indonesisch Platform neer bij de Nederlandse overheid. Voeg daarbij de `koude, kille en bureaucratische ontvangst' in Nederland na de oorlog – kleren die aan de repatrianten werden verstrekt, moesten tot het laatste paar sokken worden terugbetaald – en er staat een enorm bedrag open. De Indische onderhandelaars kwamen dit jaar met een `morele aanspraak' naar de onderhandelingstafel, de regering heeft ze weggestuurd met `een gebaar'. Zo interpreteren althans de onderhandelaars het. ,,We zijn en waren met meer mensen dan de joodse gemeenschap'', zegt E.J.E Herni, een van de onderhandelaars. ,,Dus moeten wij ook meer geld krijgen.''

Uiteindelijk zijn de Indische onderhandelaars met een principiëler punt gekomen. Ze willen een uitgebreid onderzoek naar de feitelijke hoogte van het verdwenen bezit en ze willen op basis daarvan, liefst via een meldpunt bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een individuele uitkering voor iedere eiser. Minister Borst heeft toegezegd dat er een onderzoek komt naar de haalbaarheid hiervan.

Buiten het Nederlandse gezichtsveld, maar naar verluidt mét de morele steun van de Nederlandse regering, voltrekt zich in Japan een proefproces van acht (Indische) Nederlanders tegen de Japanse staat. De stichting Japanse Ereschulden eist daar 22.000 dollar per persoon – naar analogie van de 20.000 dollar die de Amerikaanse overheid in de jaren tachtig uitbetaalde aan Japanse Amerikanen, die tijdens de oorlog uit `voorzorg' werden vastgezet.

    • Bas Blokker